Nieuws/Binnenland

Rechtbanktekenaar van De Telegraaf geëerd met tentoonstelling in Rotterdamse Kunsthal

Chris Roodbeen is niet weg te gummen

— „Hij kan best leuk tekenen, maar hij gaat er nooit zijn brood mee verdienen”, zei de docent op de Kunstacademie. Hoe erg kun je er naast zitten. Na een lange loopbaan als professioneel rechtbanktekenaar krijgt Chris Roodbeen (86) nu een expositie in de Kunsthal.

Tegenwoordig doet Chris Roodbeen het in de inkt zetten en het inkleuren in zijn atelier in Woudrichem. Vroeger moest dat nog in de rechtbank gedaan worden. „Dan rolde ik ’m op en gaf ’m mee aan de verslaggever die naar de krant ging.

Tegenwoordig doet Chris Roodbeen het in de inkt zetten en het inkleuren in zijn atelier in Woudrichem. Vroeger moest dat nog in de rechtbank gedaan worden. „Dan rolde ik ’m op en gaf ’m mee aan de verslaggever die naar de krant ging.

RENÉ BOUWMAN

Tegenwoordig doet Chris Roodbeen het in de inkt zetten en het inkleuren in zijn atelier in Woudrichem. Vroeger moest dat nog in de rechtbank gedaan worden. „Dan rolde ik ’m op en gaf ’m mee aan de verslaggever die naar de krant ging.

Tegenwoordig doet Chris Roodbeen het in de inkt zetten en het inkleuren in zijn atelier in Woudrichem. Vroeger moest dat nog in de rechtbank gedaan worden. „Dan rolde ik ’m op en gaf ’m mee aan de verslaggever die naar de krant ging.

RENÉ BOUWMAN

Hij is een vertrouwde gast in alle gerechtsgebouwen. De man met zijn golvende witte haar en getrimde baardje, die zich met zijn onafscheidelijke schetsboek onder de arm in de rij schaart voor het veiligheidspoortje. Daar graaft hij steevast uit diepe jaszakken potloden op, kleingeld, sleutels, en zijn onmisbare ’stuffie’, dat allemaal in een bakje door de scanstraat moet. Een ritueel dat hij dagelijks zonder morren ondergaat. Een zucht ontsnapt hem hooguit als hij ook nog zijn broekriem af moet doen. Veiligheid voor alles. Ook al komt rechtbanktekenaar Chris Roodbeen van De Telegraaf al een halve eeuw in alle rechtbanken in het land, en is zijn potlood zijn enige wapen.

Verlengsnoer

Hij heeft de komst van het eerste veiligheidspoortje nog meegemaakt. In het oude gebouw met de krakende vloeren van de Amsterdamse rechtbank aan de Prinsengracht. Om welke zaak het ging weet hij niet meer, maar extra maatregelen werden nodig geacht.

„Dat poortje stond pal voor de ingang van de zittingszaal, iedereen deed er een beetje lacherig over. Bleek dat niemand eraan had gedacht dat zo’n ding op elektriciteit werkt, en er was in de hele gang geen stopcontact te vinden. Uiteindelijk is er iemand naar huis gegaan om een verlengsnoer te halen. Kon de zaak anderhalf uur later eindelijk beginnen.”

Tegenwoordig is er geen rechtbank meer zonder scanstraat en poortje: de één wat nerveuzer afgesteld dan de ander. „Vroeger had ik altijd een potje lijm en een schaar bij me, en knipte en plakte ik onderdelen van mijn tekening aan elkaar. Die schaar zou nu niet meer mee naar binnen mogen.”

Hij is met zijn 86 jaar de oudste en meest ervaren rechtbanktekenaar in het land. Zei in een interview vijf jaar geleden dat hij nog lang niet van plan was om achter de geraniums te gaan zitten. „Dan ga ik de geraniums tekenen. Ik kan het toch niet laten, vind het iedere keer weer leuk. Ik blijf nieuwsgierig.” Zo denkt hij er nog steeds over.

Roodbeen begon ooit voor de Haagse Courant, nadat hun tekenaar afhaakte. „Mijn voorganger had getekend bij de zaak van dokter O. die eerst zijn vrouw vermoordde, en in de gevangenis een medegedetineerde om zeep hielp. Daar was hij zó ziek van. Al dat bloed, hij kon er niet meer tegen. Of ik er geen moeite mee had? Nee. Jij wel dan? Ik was net twee opdrachtgevers kwijtgeraakt. Dan denk je niet: ’Kan ik er wel tegen?’ Ik dacht alleen: ’Kan ik het wel zo snel?’”

De allereerste keer kreeg hij met pijn en moeite nét de figuur van de verdachte op papier. „Ik keek daarna de kunst een beetje af bij iemand als Wibo, Wim Boost, die voor de Volkskrant tekende. Hij schrééf zijn tekening bijna. Zonder stuffie. Adembenemend. Hij had altijd een potje Oostindische inkt bij zich met een stukkie ganzenveer erin. Daar maakte hij de toga’s zwart mee. Het vloeide gewoon uit zijn hand, zó vreselijk mooi. Eigenlijk heb ik dat van hém gejat, ja. Op mijn manier dan, met een vulpen. Een potje inkt zou ik omver smijten.”

Sindsdien woonde Roodbeen honderden rechtszaken bij. Kleine, maar ook grote tegen zware criminelen. Slechts één keer is hij echt bang geweest. „Dat was tijdens de strafzaak tegen twee Haagse criminelen, Daantje D. en Jantje B. Ze hadden een roofoverval op een bank in Den Bosch gepleegd, en die mislukte. Het was allemaal nogal klunzig gedaan. Ze gingen er vandoor in een auto, achtervolgd door de politie. Bij Deil renden ze de weilanden in, en stormden een boerderij binnen. Ze joegen de boer, zijn vrouw en hun dochter naar binnen onder bedreiging van een wapen. De politie legde een kordon om de boerderij. Die gijzeling heeft twee dagen geduurd voordat ze zich overgaven. Inmiddels waren ze de dikste vrienden geworden met hun gijzelaars. De boerin kreeg in de rechtszaal een dikke pakkerd van Jantje B.: „Wat heb ik je een tijd niet gezien!” Ze beklaagde zich als getuige vooral over het feit dat de politie zo tekeer was gegaan. Ik was bezig mijn tekening te knippen en plakken tijdens het vlammend betoog van de officier van justitie. Die eiste vijftien jaar gevangenisstraf tegen Daantje D. en Jantje B.

„Vuile kankerlijer!”, riep de moeder van één van die mannen, en toen brak de pleuris uit. De hele Haagse onderwereld sprong over het hekje, Daantje D. vloog met gebalde vuist op de officier af, de pagina’s van het requisitoir dwarrelden door de lucht. De rechters trokken hun rokken op en verdwenen door de zijdeur. Jantje B. probeerde de gebeeldhouwde stoel van de voorzitter door de zaal te gooien, maar die bleek te zwaar. De enige parketwacht in de zaal klemde zijn armen om de benen van Jantje B. Ondertussen stond de versterking buiten op de deur te bonzen. Die zat op slot. Uit veiligheidsoverwegingen. Ik zat wel te bibberen, hoor. Ik deed dat werk net een jaar.”

Dat soort taferelen maakte Roodbeen daarna niet meer mee. Wel andere fascinerende zaken die hem om allerlei redenen bijbleven. Vanwege de tragedie die zich voor zijn ogen ontrolde, of vanwege de simpele aanleidingen die normale mensen tot vreselijke daden bleken te drijven. Zoals die zaak van een eenzame jongeman die door zijn net zo eenzame buurvrouw werd uitgenodigd om kerstavond samen door te brengen.

„Ze dronken koffie en een glaasje, heel gezellig. Die vrouw had een orgeltje en wist dat die jongen kon spelen. Of hij een paar kerstliedjes wilde spelen? Bij Stille Nacht werd ze al een beetje snotterig. Bij het derde lied begon ze met grote uithalen te huilen, niet meer te stuiten. Hij kon er niet meer tegen, pakte een Mariabeeld dat op het orgel stond en sloeg haar hard op het hoofd. Daar lag ze. Eindelijk stil. En hartstikke dood.”

Die potloodtekeningen zette hij vroeger al in de rechtbank in de inkt. „Dan rolde ik ’m op en gaf ’m mee aan de verslaggever die naar de krant ging.” Tegenwoordig gaat dat stukken eenvoudiger dankzij voortschrijdende techniek. De potloodtekening maakt Roodbeen nog steeds in de rechtbank. In de inkt zetten en inkleuren doet hij tegenwoordig thuis. Het eindresultaat gaat via de mail naar de redactie van De Telegraaf in Amsterdam, de krant waar hij sinds 1981 voor werkt. Hij zit zelden meer hele dagen in de rechtbank. Is dat jammer? Roodbeen haalt de schouders op. „Dat heb ik wel gehad, hoor. En ik zat toch vaak met een half oor te luisteren. Ik was vooral bezig met mijn tekening.”