Nieuws/Binnenland

Zeven jonge kerels wachtte gruwelijk lot

Fatale laatste patrouille op Sumatra

de dekolonisatieoorlog in Indonesië zorgt voor veel emoties bij de laatste nog levende veteranen en nabestaanden. Pijnlijke herinneringen komen boven. Weinigen zijn zo schrijnend als die van de voetpatrouille die eind 1947 op Zuid-Sumatra verdween en nooit meer terugkwam.

Op de weinige foto’s die er van de zeven jonge kerels bewaard zijn gebleven, staan ze als de jongens die ze eigenlijk nog waren. Allemaal rond de 20 met de bravoure die daarbij hoort. Bravoure waarmee ze de onzekerheid van een missie ver weg in levensgevaarlijk gebied moeten hebben overschreeuwd. Ze gingen als dienstplichtigen naar ‘ons Indië’ om zoals het gezag thuis zei ‘orde en rust te herstellen’. In het groepje valt één soldaat op.

Hospik Leo Kuijpers die op een groepsportret in het midden staat, is een kop groter en een stuk breder dan zijn maten. Op een andere foto poseert de Brabander stoer op de motorkap van een jeep. Zijn bovenlijf ontbloot. Hollands welvaren onder de tropenzon. Thuis in Sint-Michielsgestel moeten zijn ouders, broers en zussen het plaatje trots hebben bekeken.

Dat de werkelijkheid achter de foto’s een stuk minder luchtig is, blijkt uit de brieven die een van de mannen naast de hospik, Jan Bolleurs, naar familie in Dordrecht stuurt. Zijn moeder spaart hij redelijk. Broers krijgen de volle werkelijkheid over de toestand in de kolonie die zich heeft afgescheiden. ,,Waar zijn we terecht gekomen”, vraagt de soldaat zich af. Het was één grote nachtmerrie voor hem, weet zijn nichtje Marion Korsmit-Bolleurs.

Buitenposten

Kuijpers en zijn maten uit bataljon 4.7 vertrekken in februari 1947 vanuit Rotterdam met troepentransportschip Kota Baroe richting Indië. Het bataljon lichte infanteristen gaat naar Zuid-Sumatra. Ze bewaken tijdens de eerste politionele actie de haven en nutsbedrijven. Begin augustus wordt het rustig in Palembang. In de buitengebieden broeit de onafhankelijkheidsstrijd verder en daarom verplaatst de legerleiding troepen richting buitenposten. De mannen van 4.7 gaan naar de provincie Lampung (toen Lampong). Het zuidelijkste puntje van Sumatra is het domein van rondtrekkende bendes en eenheden van het TNI-regeringsleger. De krijgsmacht van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen staat Indonesië.

Twee dagen zullen Leo Kuijpers zijn maten de soldaten Doove, Bolleurs, Van den Braak, Van Geneygen en Hermans het moerassige gebied ingaan. De voetpatrouille staat onder leiding van de 22-jarige korporaal Willem Jan Jonker en vertrekt op 15 december 1947 vanuit de post Moeara Koeang. De afspraak is dat ze een dag later collega’s van een andere patrouille ontmoeten om samen terug richting de basis te gaan. Op de afgesproken rendez-vous verschijnen Jonker en zijn mannen niet. Als de avond valt, ontbreekt op Moeara Koeang elk spoor van hen.

Confrontatie

Pas op 21 december blijkt dat er iets heel erg is misgegaan. Een Indonesische boer vertelt Nederlandse militairen dat de voetpatrouille op 17 december is opgewacht door een bende van tweehonderd man. Het komt tot een vuurgevecht. De Nederlanders doorstaan het ondanks de overmacht met glans. Aan de kant van de tegenstander vallen doden. Een tweede confrontatie met een anderhalve keer zo grote bende onder leiding van dezelfde commandant overleven ze ook. Maar het gevecht kost de Nederlanders al hun munitie en voedsel. Wanneer commandant Pa Simandjoentak een briefje stuurt met de vraag wat nu, antwoorden de leden van de voetpatrouille dat ze zich overgeven en de wapens inleveren. De brengun, stengun en vijf Lee Enfield geweren verdwijnen in een prauw.

De kou lijkt daarmee uit de lucht. De Nederlanders worden krijgsgevangen gemaakt en meegenomen naar het dorpje Sendjagon. Hier draagt de bende hen over aan de dorpsoudste. Bij zijn huis krijgen de militairen uitgebreid koffie en fruit aangeboden. Gevolgd door een rijsttafel. De dorpsoudste geeft de mannen over aan een TNI-commandant die ze meeneemt naar een volgend dorp. Ze krijgen er op de markt nog één keer te eten voordat ze hun noodlot treffen. De commandant eist alle persoonlijke bezittingen van de Nederlanders. Ze geven die zonder zich te verweren. Na het eten roept de TNI-officier de gevangenen een voor een naar buiten. Ze worden geblinddoekt, hun handen vastgebonden.

Wanneer de eerste stoffelijke resten stroomafwaarts in de Komering rivier worden gevonden blijkt hoe gruwelijk het einde van de patrouilleleden moet zijn geweest. Het is sergeant-majoor Johan van de Sande die ter hoogte van de buitenpost Goenoeng Batoe alarm slaat. De inmiddels overleden onderofficier vertelt begin deze eeuw aan documentairemaakster Pia van der Molen wat hij precies zag.

,,Er drijft iets op het water. Snel wordt een prauw geregeld. Het lijk van een blanke man wordt aan de kant gebracht. De verwondingen aan zijn lichaam wijzen op ernstige mishandelingen en hij is onthoofd. Om 13 uur is er opnieuw alarm: een tweede lijk komt de rivier afdrijven. Deze man is niet onthoofd, maar nog erger mishandeld en zijn handen zijn op zijn rug gebonden. We hebben een biezen matje gepakt en daar hebben we ze ingelegd. We hebben een graf gegraven naast het bureautje waar ik zat. En een kruis gemaakt met de datum erop. Het was 20 december.”

Wrang

Het laatste lid van de patrouille waar maten stoffelijke resten van terugvinden, wordt negen dagen later uit de Komering gehaald. Het lichaam is overdekt met messteken, teennagels zijn uitgetrokken, vingers afgesneden en de handen met touw op de rug gebonden. Geen van de militairen draagt nog het metalen identiteitsplaatje. De sergeant-majoor herkent zijn bataljonsgenoten desondanks. Soldaat Bolleurs draagt zijn opvallende gevlochten zilveren ring. Leo Kuijpers identificeert de onderofficier aan de hand van zijn grote gestalte. Hij weet ook dat de Haagse soldaat Van den Braak onder de doden is. Wat het lot van de mannen extra wrang maakt, is dat besprekingen over een staakt het vuren in een vergevorderd stadium zijn. Het bestand zal minder dan een maand later ingaan.

,,De jongens zijn niet officieel geïdentificeerd. We hebben ze te nonchalant begraven. Maar wat doe je? Het is oorlog, je bent bang en wil de jongens toch begraven”, vertelt hij jaren later met spijt in zijn stem. Op de graven worden in de haast gemaakte houten kruizen geplaatst. Erop staan alleen de vinddata. Niet de namen. De stoffelijke overschotten eindigen na een herbegrafenis in graven voor onbekende soldaten. Familieleden blijven achter met het idee dat er geen plek is waar ze een laatste eerbetoon kunnen brengen. Hoewel de verantwoordelijken zich hebben schuldig gemaakt aan een oorlogsmisdrijf wordt er nooit iemand voor de zeven brute moorden gestraft.

Pas toen Pia van der Molen zich in het dossier verdiepte en haar bevindingen voorlegde aan de Oorlogsgravenstichting kregen de drie onbekende soldaten een identiteit. In 2006 werden ze samen herbegraven op ereveld Pandu bij Bandung. Eindelijk prijkt er op het graf een bordje met namen. Hier konden de zussen van Leo Kuijpers na 58 jaar alsnog afscheid nemen van hun broer. Kort erop overleden beide dames. In Indonesië vertelden ze hoe blij ze waren met het laatste bezoek.

,,Toen we thuiskwamen zei ons moeder: ‘Riek het is zo erg. Leo is vermist”, haalde Riek Kuijpers het moment van de onheilstijding terug. De familie kreeg het op kerstavond 1947. Al die jaren later konden Riek en Diny er nog steeds niet bij waarom hun broer dood moest. ,,Als hij was gesneuveld in een gevecht, dan weet je niet beter. Dat was zijn taak daar”, vertelde Riek Kuijpers. ,,Maar als je krijgsgevangen bent en je wordt afgeslacht, dat kun je niet begrijpen. Dat ze zo met weerloze mensen omgingen. Dat is het hardst aangekomen. Het had niet gehoeven.”