Nieuws/Binnenland

’Geen geld voor loonstijging onderwijs’

Dekker (l.) en Bussemaker op archiefbeeld.

Dekker (l.) en Bussemaker op archiefbeeld.

Hollandse Hoogte / Werry Crone

Den Haag - Een dag voordat basisschoolleraren gaan staken laat het kabinet weten dat er momenteel geen geld is voor loonsverhoging voor leraren.

Dekker (l.) en Bussemaker op archiefbeeld.

Dekker (l.) en Bussemaker op archiefbeeld.

Hollandse Hoogte / Werry Crone

Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker stellen dat het ministerie van Onderwijs daarvoor gewoonweg geen budget heeft. Dat het kabinet momenteel demissionair is, helpt ook niet. „Daarnaast heeft het ministerie ook op de eigen begroting nog forse tegenvallers als gevolg van hogere prijzen en hogere leerlingaantallen”, waarschuwen de bewindslieden.

PvdA-minister Asscher (Sociale Zaken) beloofde basisschoolleraren recent nog gouden bergen. In een interview zei hij dat het verhogen van de salarissen weliswaar geld kost, maar dat het demissionaire kabinet het zal gaan doen. Zijn partijgenote Bussemaker en VVD-staatssecretaris Dekker temperen nu de verwachtingen.

Basisschoolleraren staken morgen het eerste lesuur, omdat ze de werkdruk te hoog vinden en meer salaris willen hebben. Ze vinden het oneerlijk dat leraren op de middelbare school gemiddeld meer loon krijgen.

In een overzicht laten Bussemaker en Dekker zien wat de leraren in verschillende schalen eigenlijk verdienen. Te zien is dat een startende basisschoolleraar in de laagste schaal een startsalaris heeft van 2436 euro bruto. Wie daar de vakantie-uitkeringen, eindejaarsuitkeringen en dergelijke bij optelt, komt uit op 2896 euro.

De laagste schaal in het middelbaar onderwijs ligt inderdaad iets hoger. Startsalarissen liggen daar op 2601 euro bruto, en 3074 euro (met vakantie-uitkeringen en dergelijke).

In het basisonderwijs ligt het maximumsalaris op 5294 euro, tegen 6289 in het voortgezet onderwijs.

„Mocht de situatie zich voordoen dat het huidige kabinet de begroting voor 2018 moet opstellen, dan zal het kabinet een integrale afweging maken van de problemen, politieke wensen en de beschikbare financiële ruimte, met inachtneming van de demissionaire status van het kabinet”, laten Bussemaker en Dekker weten.