Nieuws/Binnenland
2908403
Binnenland

’Nationale trots over sportprestaties neemt af’

DEN HAAG - Hoewel Nederland op de negende plaats van de internationale medaillespiegel staat en er meer rijksgeld gaat naar topsport, neemt de nationale trots over geleverde sportprestaties af. Dat stelt een groot onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Op de vraag of een Olympische medaille net zo waardevol is als een schooldiploma reageerde 29 procent van de bevolking in 2007 instemmend, in 2015 was nog slechts 12 procent het daarmee eens. Ook de kijkcijfers voor sportevenementen als het EK en WK voetbal, nemen af, zeker als er geen Nederlandse toppers meedoen.

Dat staat in de Rapportage Sport 2018 van het Mulier Instituut en het Sociaal en Cultureel Planbureau die om de vier jaar verschijnt.

Bewegen

De cijfers over het sporten zijn overwegend stabiel. 57 procent van de bevolking (12-79 jaar) sport wekelijks, 31 procent is lid van een sportvereniging en 10 procent verricht vrijwilligerswerk voor een vereniging.

Wel individualiseert de sportbeoefening. Van oudsher vindt het aanbieden van sportactiviteiten plaats via sportclubs of sportscholen en fitnesscentra. Maar, zeggen de onderzoekers, sportbeoefening vindt steeds vaker plaats in ongeorganiseerd verband. „Door individualisering zijn mensen op zoek naar keuzevrijheid en zelfregie in het moment van sporten en waar en met wie wordt gesport.”

Leden

De tendens is terug te zien in een dalend aantal lidmaatschappen bij clubs die via hun sportbond aangesloten zijn bij NOC*NSF. In 2017 bedroeg het totale aantal lidmaatschappen 5,2 miljoen, ruim 3 procent minder dan in 2014. De lidmaatschappen waren in 2017 verdeeld over 23.870 sportclubs.

Mulier en CPB signaleren verder een groeiende belangstelling voor sporten in de openbare ruimte, commercieel sportaanbod en voor nieuwe vormen van sport, zoals beachsporten, yoga, bootcamp en e-sports (professioneel gamen). „Deze activiteiten sluiten aan op veranderende behoeften en voorkeuren van deelnemers, zoals flexibiliteit in tijdstip en plaats.”

Volgens de zogeheten Beweegrichtlijnen van het RIVM zouden volwassenen wekelijks ten minste 2,5 uur matig intensief moeten bewegen en kinderen dagelijks minstens een uur. Uit de rapportage blijkt dat basisschoolkinderen in 2017 met 55 procent het vaakst aan de richtlijnen voldoen, gevolgd door 49 procent van de volwassenen en 36 procent van de senioren.