Nieuws/Binnenland
29635
Binnenland

V&D-nazaten

Gemengde gevoelens

— Voorgoed zijn die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden namen uit ons straatbeeld verdwenen: V&D, warenhuis met iconische waarde. Nazaten van Vroom en Dreesmann kijken terug. „Afschuwelijk, dit smadelijke einde. Ik was Vroom & Dreesmann in hart en nieren.”

Voorgoed zijn die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden namen uit ons straatbeeld verdwenen: V&D, warenhuis met iconische waarde. Nazaten van Vroom en Dreesmann kijken terug. „Afschuwelijk, dit smadelijke einde. Ik was Vroom & Dreesmann in hart en nieren.”

Allang zag Vincent Vroom (65) het einde naderen. „Eigenlijk al vanaf midden jaren 80. Van nature ben ik een nuchter man, maar toen de winkeldeuren voorgoed sloten, was dat extra slikken.” Vincent is de vierde generatie warenhuis-Vroom; zijn vader was directeur van de Nijmeegse vestiging. „Op zondag ging ik als klein kereltje vaak met hem mee. Magisch, dat warenhuis helemaal voor mij alleen. Roltrap op, roltrap af.”

Kilometers verderop, in Deventer, liggen voor directeurskinderen Hans en Els Goossens eenzelfde soort zondagsherinneringen. „Zetten we op de speelgoedafdeling alle bromtollen tegelijk aan.”

Vincent, achterkleinzoon van oprichter Willem Vroom, maakte zich eind vorig jaar geen enkele illusie dat de zaak nog zou zijn te redden. „Boos ben ik wel geweest, want jarenlang bleven de opeenvolgende directies het middenpad bewandelen. Het pruttelde te ver door in een non-formule.”

„Toen het einde definitief was, werd er heel wat afgebeld binnen de familie. Dat het dieper zat dan ik dacht, merkte ik door een terugkerende droom. Daarin werden die grote letters één voor één van het V&D-pand getakeld. De V, de R, de O, de D. Wat een ellende! Ik voelde rouw. Het deed me goed dat heel het land het triest vond. Er ging meer verloren dan een winkel. Vroom & Dreesmann stond voor warmte en gezelligheid. De Bimbobox met die muziek-aapjes, de Schoolcampus.”

Historie

Een warenhuis dat zijn oorsprong vond in 1887. V&D-fan Philippe Hondelink heeft de historie van opkomst tot ondergang nauwgezet beschreven in een boek dat een kilo weegt. Net als elke nazaat kort Vincent Vroom de naam niet af tot V&D. Zijn betovergrootvader werd, geheel tegen de gewoonte in om namen op alfabetische volgorde te zetten, als eerste genoemd. „Daar stond hij op omdat hij ouder was dan zijn compagnon, al was dat maar twee jaar. Andersom, D&V, klinkt het ook niet.”

„Trots was ik op het warenhuis. Van hoog tot laag voelde het personeel, 50.000 mensen door de jaren heen, zich betrokken bij de zaak. Het verloop lag extreem laag, ze hoorden bij de familie.” Hij tikt in zijn knipselmap op een oude krantenkop, een citaat van zijn vader, Rudolf Vroom: ’De onschatbare glimlach van de verkoopster’. „Oudere werknemers komen in een benarde arbeidsmarktpositie terecht, dat maakt dit einde dubbel hard.”

In zijn werkkamer hangt het portret van zijn vader. „Dit hing altijd in de zaak. Mijn zoon heeft het schilderij van zijn betbetovergrootvader, oprichter Willem, op de kop getikt. Dat hangt op zijn kamer, een hele muur in beslag nemend. Mooi vind ik dat.”

Vincents vader was directeur. „Alles draaide om de zaak, hij wás het warenhuis. Als hij het faillissement had moeten meemaken, had hij het niet overleefd. Na de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij de wederopbouw van het warenhuis in Nijmegen dat een jaar eerder plat ging bij een vergissingsbombardement.”

„Als driejarige heb ik in 1953 de zaak heropend. Een lintje doorgeknipt of zo, ik weet daar niks meer van. Thuis ging het altijd en eeuwig over de zaak. De spanningen binnen de familie, een brand in het warenhuis in Roosendaal. Op zondag ging mijn vader vaak nog aan de slag, dan schoot ik de auto in. Mee met papa! Nam hij de personeelsingang, zette schakelaars om en liep door naar zijn kamer. Dan dat warenhuis, helemaal voor mij alleen. Ik was vroeger heel verlegen, maar daar voelde ik me thuis.”

„Mijn vader werd naar het hoofdkantoor in Amsterdam gehaald. Een tijd lang was hij voorzitter van de raad van bestuur. Onder Anton Dreesmann werd hij tweede man, vrijwillig. Hij zag dat Anton het goed deed in de vaart der volkeren. Maar hij is altijd in het presidium gebleven. In 1982 ging hij met pensioen, in 1989 is hij gestorven.”

Vincent wilde wel in de zaak. „Als doza – donderdag- en zaterdaghulp – had ik er altijd gewerkt. In het magazijn, bij de schrijfwaren. Nog kijk ik overal met de kritische blik van de warenhuisman. Dan erger ik me aan een onbemande kassa of een leeg schap. Een warenhuis is een gamma van 10.000 dingen tegelijk. Het leukst vond ik het contact met de klant.”

„Ik wilde graag in de zaak en volgde de interne opleiding. Moest ik me van onderaf opwerken. Prima, maar na vier jaar was ik pas assistent-bedrijfsleider. Het schoot niet op, ze gaven me niks om op te bouwen. Vader vond het niet verstandig dat ik opstapte, maar eigenwijs als ik was, ben ik gegaan. Schuldig heb ik me niet gevoeld, maar ik vond het vervelend voor hem. Ik ben consultant op HR-gebied bij Amerikanen geworden en ik heb nu een vertaalbureau.”

Volle neef

De 87-jarige Wob – afkorting van Wolbert – Vinke werkte daarentegen zijn leven lang in het familiebedrijf. Hij verduidelijkt de familierelatie die ver teruggaat: „Mijn grootvader was een volle neef van oprichter Vroom en stichtte de Rotterdamse vestiging in 1892.”

Vinke, oud-directeur Bouw en Inrichting van Vroom & Dreesmann Nederland, fileert de ondergang scherp. „Een van de grote schatten was dat alle panden eigendom waren. Maar de buitenlandse investeerders sloegen er een slaatje uit en verkochten de gebouwen zodat er moest worden gehuurd. Voeg daarbij de opkomst van andere woon- en huishoudketens als Blokker en Ikea, plus het internetwinkelen, en dat was het einde. Smadelijk, droevig en afschuwelijk. Ik was Vroom en Dreesmann in hart en nieren.”

Een leven lang. „Tussen de middag speelde ik vroeger met mijn broer op de tapijtafdeling tussen de rollen kokoslopers. In het begin draaide het alleen op manufacturen: alle soorten textiel. Toen ik een jaar of negen was, werd een parfumerie-afdeling geopend. Dat was wat! V&D speelde een rol in het leven van alle Nederlanders. De huwelijksuitzet kwam er vandaan: lakens, slopen en pannen. Mensen gingen er op zaterdag voor hun ontspanning naartoe. Het sprak vanzelf dat ik in de zaak ging. Ik ben gebleven tot ik 25 jaar geleden met pensioen ging.”

Stamboom

Ook Hans (81) en Els (76) Goossens zijn kinderen van V&D, al maken ze daar zelf een kanttekeningetje bij. Hun vader, Jan Goossens, volgde Rudolf Muller op als directeur in Deventer. „Deze Ru Muller was een oom van vader Jan. Ru was getrouwd met Trees Vroom, de dochter van medeoprichter Willem Vroom. Ru en Trees bleven kinderloos en zij ontfermden zich over Jan en zijn zusje toen hun moeder jong stierf. ’Kom maar in de zaak’, zei oom Ru tegen hem.” Zo belandden de Goossens in de warenhuisstamboom.

„Mijn vader maakte elke dag met al zijn mensen een praatje. Begon hij onderin met de magazijnchef: ’Hoe is het met de vrouw?’ Ondertussen inspecteerde hij de planken. Zo liep hij van afdeling naar afdeling”, zegt Hans Goossens.

„De zaak ging voor alles”, zegt zijn zus Els. „Op zondag, na de hoogmis, had hij vaak nog wat te doen en dan gingen we wat graag mee. Riepen we om via de intercom: ’Meneer Jansen, toestel 23, meneer Jansen, toestel 23!’ Die lol...”

„Op zaterdagmiddag belde de bedrijfsleider de omzet in codetaal door: Zeg maar ’EeGee’ tegen je vader. Geen idee waar dat voor stond, nog steeds niet, maar slecht was EeGee niet. Maar ook weer niet zo goed als ’X, kruis’, want dan zei mijn vader: ’Ik kook vanavond!’ Dan gingen we uit eten.”

Verder werd het niet over de balk gesmeten. „De zaak betaalde de telefoon thuis, dan zou je denken dat we lang mochten bellen… Niet dus. Had ik een vriendin aan de lijn, dan klonk het na één minuut in koor: ’Ophangen, de zaak betaalt!’”

Met een lach memoreert Els Goossens bokkig puberverzet. „Natuurlijk moest ik mijn kleren bij Vroom & Dreesmann kopen. Maar toen ik een jaar of 15 was, wilde ik liever naar dé modezaak van Deventer. Zei ik tegen mijn vader: ’Daar hebben ze dezelfde jurk als bij ons, maar dan goedkoper’. Mocht ik hem als spion kopen. Maar ik kon hem nooit bedotten. Had ik elders een bloes gekocht, dan voelde hij de stof tussen duim en wijsvinger en zei: 80 gulden. Klopte altijd.” Herinneringen buitelen over elkaar heen: „De inkoopster, juffrouw Eijsink, zorgde er altijd voor dat mijn moeder niet in een jurk liep die half Deventer zou kunnen kopen.”

Hans glimlacht: „Als je bij Vroom & Dreesmann werkte, wás je wat. Toen een ongehuwde verkoopster zwanger raakte, mocht ze van de directeur blijven, maar van het personeel moest ze weg. Geen smet op hun blazoen.”

Hans Goossens was welkom als opvolger. „Met andere directeurszoontjes begon ik aan een opleiding, maar het was niks voor mij. Ik ben bij een bank gaan werken.” Ook Els ging niet in de zaak: „Mijn vader was onthutst toen ik voor psychologie koos.”

Donderslag

Het faillissement kwam niet als een donderslag bij heldere hemel. „Maar ergens had ik het toch niet verwacht”, zegt Els. „Ik kon het ook niet geloven, het is zo’n deel van ons leven. Vreselijk, die dagen van de finale uitverkoop. Ik kon niet langs het pand lopen. Die rijen koopjesjagers, tot buiten aan toe, deden pijn.”

Vincent Vroom deelt dat gevoel: „Die superuitverkoop stond me zo tegen, al die mensen die op de korting afrenden. Bah.” De laatste stuiptrekking van een familiegeschiedenis. „Loop ik nu langs het pand met dichtgeplakte ruiten, dan schiet het door me heen: potverdikkeme, hier zat altijd een prachtig warenhuis. Ons warenhuis.”