Nieuws/Binnenland
29972
Binnenland

Vier miljoen mensen cijferen zichzelf weg om het leven van hun dierbaren aangenamer te maken

Mantelzorgers van onschatbare waarde

— Ze zorgen ervoor dat ouderen wat langer thuis kunnen blijven wonen, maken het leven nét wat draaglijker in een verzorgingshuis. Mantelzorgers klagen weinig en cijferen zichzelf weg. „Beleidsmakers staan er vaak niet bij stil, maar je relatie moet écht goed zijn om iemand zo intensief te verzorgen.”

De Amsterdamse Koby Bosman helpt haar man Herman – die na een val hersenletsel opliep – met zijn medicijnen. Ook al valt het niet altijd mee om mantelzorger te zijn, Koby doet het met liefde.

De Amsterdamse Koby Bosman helpt haar man Herman – die na een val hersenletsel opliep – met zijn medicijnen. Ook al valt het niet altijd mee om mantelzorger te zijn, Koby doet het met liefde.

De Amsterdamse Koby Bosman helpt haar man Herman – die na een val hersenletsel opliep – met zijn medicijnen. Ook al valt het niet altijd mee om mantelzorger te zijn, Koby doet het met liefde.

De Amsterdamse Koby Bosman helpt haar man Herman – die na een val hersenletsel opliep – met zijn medicijnen. Ook al valt het niet altijd mee om mantelzorger te zijn, Koby doet het met liefde.

De dames giebelen als jonge meisjes. Aan de keukentafel in het knusse tweekamerappartement op de gesloten afdeling van woonzorgcentrum De Hazelaar in het Overijsselse Hasselt is het net of Annie Feenstra en Coby van Marle weer als naaste buren bij elkaar op de koffie zijn. Het grote verschil met toen: de 86-jarige Feenstra kan niet meer zomaar op de voordeur van Coby (68) kloppen.

Anderhalf jaar woont Annie nu in De Hazelaar. Ze bleef thuis tot het écht niet meer ging en vanwege een delier werd opgenomen. Dankzij Coby kon dat moment zo lang mogelijk worden uitgesteld. „Mijn drie kinderen wonen niet in de buurt. En die zijn druk, hè”, zegt Annie.

Wie niet beter weet zou kunnen denken dat de dames moeder en dochter zijn. Wat begon als een vriendschap tussen ’normale’ buren, groeide in de dertig jaar dat ze naast elkaar woonden uit tot een intensieve mantelzorgrelatie. Dagelijks hield Coby een oogje in het zeil. „Ik deed de lichten en tv uit als ze die was vergeten, kwam aan als Annie belde omdat ze haar oorbellen kwijt was, of was gevallen en niet meer kon opstaan. Ik deed de afwas, bracht af en toe eten, kocht een rollator met haar en nam haar mee naar de huisarts toen ik zag dat haar voet begon af te sterven door de diabetes. Op het laatst hielp ik haar ook met het aantrekken van haar pantykousen.”

Coby doet er luchtig over. Ziet het als een vanzelfsprekendheid. De alleenstaande vrouw is een zorgzaam iemand. Tijdens het gesprek in De Hazelaar kijkt ze even op haar horloge. „Om kwart over drie moet ik de kinderen ophalen.” Annie lacht: „Ze doet net alsof ze het druk heeft.” Coby, gemaakt streng: „We hadden afgesproken dat we alleen maar aardige dingen over elkaar zouden zeggen.” Annie hapt naar adem van het lachen.

Twee dagen per week werkt Coby als vrijwilliger op een kinderdagverblijf. Wekelijks schaaft ze met andere vrijwilligers van het Rode Kruis haar EHBO-kennis bij. En regelmatig draait ze eerstehulpdiensten op evenementen.

Coby vertelt over die keer dat Annie een hersenbloeding had gehad. „Heb ik een hersenbloeding gehad?”, vragend kijkt ze naar Coby. „Ja, weet je nog? Je stond bij me aan de deur, en kon niets zeggen. Je hand hing heel raar naast je lichaam. Ik heb de ambulance gebeld.”

Dan vraagt Annie zich ineens iets af: „Hoe zijn wij eigenlijk bij elkaar gekomen Coby?” Rustig legt ze uit: „We zaten weleens naast elkaar op het bankje voor het huis. Daarna gingen we zo nu en dan een kopje koffiedrinken. Dat was toen je man nog leefde.” Wanneer hij overleed? Annie weet het niet meer precies. „Dat moet ik even navragen. In 1999?”

Winkelen

Ook gingen ze regelmatig winkelen. Annie is een verzorgde vrouw. Haar nagels zijn versierd met roze glitterlak en ze draagt een subtiel lippenstiftje. „Weet je nog met die hoeden? We gingen ze passen in een winkel maar het was geen gezicht. Ze waren zo groot!” De twee hadden soms zoveel lol dat ze het in hun broek deden van het lachen.

Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau geven in ons land meer dan vier miljoen volwassenen regelmatig hulp aan hun partner, familielid, vriend of buur. Gewoon omdat ze oud en hulpbehoevend zijn of vanwege een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking. „De informele zorg is van onschatbare waarde”, zegt een woordvoerster van Mezzo, de landelijke vereniging voor mantelzorgers en vrijwilligerszorg. „Zonder hun inzet zou het zorgsysteem niet houdbaar zijn.”

Schoenen

Als Femke Ponsioen niet wekelijks een hele dag bij haar 83-jarige vader Lucien zou doorbrengen in het verpleeghuis in Leusden, zouden bijvoorbeeld zijn schoenen niet netjes gepoetst zijn, zou de boel een stuk minder opgeruimd zijn, werd zijn administratie niet bijgehouden en kwam hij een stuk minder vaak het verpleeghuis uit. „Voor lange stukken gaan we op de elektrische dubbelfiets”, vertelt Femke.

„Je ziet aan kleine dingen of iemand een mantelzorger heeft, of regelmatig bezoek krijgt. Bijvoorbeeld aan een niet-gepoetste bril. Mijn vader woont in een goed huis, maar voor dat soort dingen heeft de verzorging echt geen tijd. Ik zie dat er door bezuinigingen en reorganisaties veel onrust is.”

Al 25 jaar heeft haar vader de ziekte van Parkinson. „Bovendien heeft hij een slaapstoornis waardoor hij ’s nachts heel veel in de weer is. Thuisblijven ging niet meer.” Haar zus woont in Amerika en haar moeder kan de zorg niet meer aan. Alles komt op de schouders van Femke. „Het is niet zo dat als ik hier de deur achter me dichttrek, dat het dan klaar is. Als er iets gebeurt, word ik gebeld.”

Ze had al een goede relatie met haar vader, maar die werd door het mantelzorgen nog closer. „Onze band overstijgt de doorsnee vader-dochterband. Als we gaan zwemmen, moet ik hem afdouchen en wassen. Een lichamelijkheid die normaal is geworden. Een keer in de twee weken trim ik zijn baard. Dat wil hij nooit”, lacht ze. „Maar daar moet hij zich maar aan onderwerpen.”

Femke en haar vader zijn goed op elkaar ingespeeld. Ze vindt het prettig om iets terug te kunnen doen voor de man die zijn hele leven voor haar heeft gezorgd. „Hij is een hele leuke man, met humor en veel interesses. Het lijkt me ingewikkeld om zo intensief voor iemand te zorgen met wie je geen goed contact hebt. Mensen moeten vaker thuis opgevangen worden, maar vaak wordt onderschat dat veel relaties er niet voor gemaakt zijn.”

Met weemoed denkt de Amsterdamse Koby Bosman terug aan de tijd dat ze met haar man Herman (72) fietstochten kon maken van de Spaarndammerbuurt naar IJmuiden. In 2003 brak het stuur van fiets af toen hij de Nijlpaardenbrug achter Artis afreed. Negen weken lag hij in het ziekenhuis. De revalidatiearts waarschuwde Koby: door het hersenletsel krijgt u iemand terug die niet meer uw man is. Hij zal het hardst schoppen tegen degenen die het dichts bij hem staan.”

„Geen woord gelogen”, vertelt Koby in de woonkamer van hun appartement op de derde verdieping. „Hij wil niets van mij aannemen. Een deel van zijn linker hersenkwab is uitgeschakeld. Daardoor dringen dingen niet tot hem door. Het besef is verdwenen. Nadenken lukt niet goed. Hij heeft geen interesse in de wereld om hem heen, zwijgt hele dagen en leeft in zijn eigen wereld.”

Idee

Herman hoort het gelaten aan. Of het hem raakt wat hij hoort? Hij haalt zijn schouders op. „Nee hoor. Voor mij voelt het nog steeds alsof ik dezelfde man ben.” Koby: „Hij heeft het idee dat het allemaal wel goedkomt.”

Zonder Koby zou Herman er een zooitje van maken. Zet hij thee, dan komt hij uit de keuken terug met een kopje koud water met een zakje erin. Ziekenhuisafspraken onthoudt hij niet. Van zijn medicijnen neemt hij gerust een driedubbele dosis. Vanaf 2012 ging het bergafwaarts. We waren net verhuisd naar een nieuwe woning toen ik midden in de nacht wakker werd en merkte dat hij verdwenen was. Op blote voeten liep ik naar buiten. Ik vond hem bij zijn fiets. ’Ik ga naar huis’, zei hij. De huissleutel heb ik vervolgens onder mijn kussen verstopt.”

Eén grote interesse heeft Herman nog: scheepvaart. Herman werkte zich op van matroos tot schipper, tot kapitein. Samen met Koby leefde hij op een binnenvaartschip. „Ik heb er mooie herinneringen aan. Je zag de wereld langs je heen trekken. We kwamen in Duitsland, in Frankrijk, Zwitserland en België.” Herman laat een plakboek zien waarin hij afbeeldingen verzamelde van alle negentig schepen van de rederij waar hij voor werkte.

De zorg voor haar man valt Koby zwaar. „Ik ben er constant mee bezig. We hebben veel conflicten. We kunnen niet meer met elkaar praten.” Koby geeft toe dat ze weleens heeft overwogen om weg te gaan. „Maar nee, we zijn getrouwd. Bovendien: wat zou er dan van hem terechtkomen?”

Terug naar mantelzorgster Coby uit Zwolle. Wekelijks komt ze nog bij haar oude buurvrouw Annie over de vloer. Niet zozeer om zorgtaken uit te voeren, maar voor de gezelligheid. Soms maken ze een uitstapje. „Dat is allemaal uit liefde”, zegt ze, terwijl ze naar Annie kijkt. Die lacht terug, zoals altijd. Maar zelfs de goedlachse Annie werd Coby weleens te veel. „Ze kon soms zo dwars doen. Dan moest ik even afstand nemen.”

En Annie? „Ach ik heb zo’n geluk gehad met Coby”, zegt ze. „Ze is zo’n leuke vrouw. Ze was altijd de enige die...” Dan gaan haar ogen twinkelen: „Als ze een chagrijn was, dan had ik haar al lang de deur gewezen.” Opnieuw wordt er geschaterlacht.