Nieuws/Binnenland
39946
Binnenland

Verzamelaar Schouwenburg doorgrondt 70-jarige mythe

’Ferrari moet je gegund zijn’

Paul Schouwenburg trekt met zijn Ferrari Testarossa uit 1957 bewonderende blikken van medeweggebruikers.

Paul Schouwenburg trekt met zijn Ferrari Testarossa uit 1957 bewonderende blikken van medeweggebruikers.

Precies 70 jaar geleden ging de racestal van Enzo Ferrari ook straatauto’s maken. Wat begon als een weinig geliefde nevenactiviteit groeide uit tot het meest legendarische sportwagenmerk ter wereld. Klassiekerbeurs Interclassics in Maastricht staat er de komende dagen bij stil. Weinig mensen doorgronden de Ferrari-magie zo goed als verzamelaar Paul Schouwenburg.

Paul Schouwenburg trekt met zijn Ferrari Testarossa uit 1957 bewonderende blikken van medeweggebruikers.

Paul Schouwenburg trekt met zijn Ferrari Testarossa uit 1957 bewonderende blikken van medeweggebruikers.

De gepensioneerde hoogleraar hoofd-hals-chirurgie (74) weet nog precies wanneer en waar het virus toesloeg. Het was op het circuit van Zandvoort dat hij als jongetje samen met zijn vader Alberto Ascari zag racen in zijn Ferrari 500 grand prix-auto. Een bloedrode sigaar waarmee de Italiaan het wereldkampioenschap in 1952 totaal domineerde. „Een onwaarschijnlijke auto”, verzucht Schouwenburg al die jaren later thuis in Aerdenhout.

„Vrij kort erop zag ik de eerste straatauto’s. Eigenlijk waren dat slecht gecamoufleerde racewagens. Spartaanse modellen bedoeld voor de gentleman drivers; mannen die het leuk vonden om met snelle wagens te rijden. Vaak ook op het circuit. Enzo Ferrari had weinig met straatauto’s. Ze dienden om zijn raceteam te financieren. Maar hij was vanaf het begin wel heel berekenend in wie hij zijn auto’s gunde.”

„Het was niet voor niks dat hij mensen als prins Bernhard en de sjah van Perzië graag als klanten zag. Zij en talloze acteurs en regisseurs waren goed voor het imago. Het hielp natuurlijk wanneer je met veel geld langskwam. Maar een Ferrari kreeg niet iedereen. Dat is nog steeds zo met speciale edities. Wie Ferrari auto’s gunt, is op het arrogante af. In de fabriek mag je wel kijken, maar alleen even snel om het hoekje. Ferrari heeft heel secuur gewerkt aan het mythische imago. Enzo heeft na zijn dood in 1988 een bijna goddelijke status gekregen. Als je het verschil wilt zien, moet je naar Lamborghini kijken. Daar bouwen ze ook geweldige auto’s. Maar als je daar de fabriek bezoekt, hangen er digitale klokken die bijhouden hoe lang er aan een auto wordt gewerkt. Weg is de mystiek…”

Schouwenburg heeft een paar Ferrari’s, drie klassieke en een moderne. Hij bezat er door de jaren heen in totaal 28. Allemaal met unieke verhalen die de medicus optekende in het internationaal goed ontvangen boek Ferrari Fever.

Het begon met auto’s die hij in de jaren zestig voor een paar mille kocht en zelf restaureerde. Puur voor de lol. Zoals een 250 Monza waar de eigenaar de zaag in wilde zetten om hem te verbouwen tot Jaguar-replica. Nu doet een Monza rond het miljoen. En een 250 SWB waarmee hij in de weekeinden racete en door de week mee naar zijn werk als dienstplichtig militair arts reed. De auto stond ’s avonds in Amsterdam-Zuid gewoon voor de deur. Inmiddels is zo’n wagen rond de tien miljoen euro waard doordat prijzengekte de klassieke autowereld domineert.

„Dat is heel erg jammer. En niet alleen omdat het de hobby kapot heeft gemaakt”, vindt de liefhebber. „Vroeger hadden Ferrari’s een ander imago. Het waren auto’s voor echt sportieve mensen met smaak. Als ik met mijn 250 SWB naar de kazerne ging en iemand hem zag staan, kreeg ik de vraag: ’Wat is dat voor een leuk oud autootje?’ Wanneer ik Ferrari antwoordde, zeiden mensen: ’Oh leuk ..’ Wanneer je nu een Ferrari rijdt, vragen mensen zich meteen af hoe je aan het geld ervoor bent gekomen. In een misdaadserie is een Ferrari-logo nooit ver weg. Dat vind ik jammer.”

„Het ijzersterke imago van de gentleman drivers trekt ook mensen die dat niet zijn, maar zich wel graag zo presenteren. Het is niet anders. Ik moet eerlijk zijn. Inmiddels ben ik in de Ferrari-wereld ook een dinosaurus”, zegt Schouwenburg hardop lachend. „Ik kan nog steeds enorm genieten van mijn Ferrari’s. Laatst heb ik weer een paar rondjes in mijn zes jaar oude 599 GTO gereden op het circuit. Als je dan die kracht en de wegligging voelt… Het was weer net als toen ik in de jaren zestig over het circuit racete.”