Nieuws/Binnenland
415846
Binnenland

Bosbranden in Canada nauwelijks te stoppen

Nederlanders op de vlucht

Fort McMurray - De hevige bosbranden in Canada raken ook de Nederlandse gemeenschap. Tientallen Nederlanders die in het gebied wonen en werken, voornamelijk in de olie-industrie, zijn halsoverkop op de vlucht geslagen en hebben hun huizen verloren.

Het vuur in en rond Fort McMurray, een bosrijk gebied in de provincie Alberta vol teerzanden waar olie uit gewonnen wordt, is amper te stoppen. De 88.000 inwoners van ’Fort Mac’ zijn allemaal geëvacueerd en moesten hun bezittingen achterlaten. In deze groep ook medewerkers van het Nederlandse bedrijf Mammoet dat gespecialiseerd is in het hijsen en vervoer van zware voorwerpen en dat zo’n 150 man in het gebied aan het werk heeft. Zij zouden allemaal in veiligheid zijn.

Het is een wonder dat er tot nu toe nog geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen door de brand die inmiddels al 900km2 beslaat. De schade is enorm en zou inmiddels zijn opgelopen naar 6 miljard euro, er wordt al gesproken van de grootste natuurramp in de Canadese geschiedenis.

Ook Shell en andere oliemaatschappijen hebben talloze medewerkers in het gebied dat snakt naar regen die waarschijnlijk vandaag arriveert. Zo’n 20.000 gevluchte inwoners van Fort Mac trokken naar het noorden om te schuilen in de kampen van de oliemaatschappijen die hun eigen evacuaties regelen. Deze groep werd in konvooi naar Edmonton gebracht dat alleen per grotendeels afgesloten tweebaansweg te bereiken is.

In Fort Mac waren plannen om een Nederlands pannenkoekenrestaurant De Dutch te vestigen. Maar door de ravage gaat dit er waarschijnlijk niet meer van komen.

Ralph Friesen woont al ruim 35 jaar in Canada. Zijn huis is volledig afgebrand, net als dat van zijn dochters en kleindochters. Met zijn dertienen, ook met achterkleinkinderen, zitten ze in een vakantiehut 300 kilometer ten zuiden van Fort McMurray. Friesen en zijn vrouw waren al in deze tweekamerhut toen de brand in alle hevigheid losbarstte. De rest van de familie voegde zich later.

„Mijn dochter werkt op een school en moest wachten totdat de ouders hun kinderen hadden opgehaald. Ze werd de stad richting het noorden uitgestuurd en reed de volgende dag langs het trailerpark waar ze woonde. Alles was daar plat.” Friesens kleindochter werd omringd door vlammen, vertelt hij. „En in de auto kon je het glas niet aanraken, zo warm was het.”

Friesen weet niet of hij nog naar z’n werk kan gaan, noch hoe lang het heropbouwen gaat duren. „Dat kan wel twee maanden duren, hoorde ik. Tot die tijd heb ik geen werk. En zelfs als er wel werk is, waar moeten we dan wonen?” Ondanks dat hij de situatie „vernietigend” noemt, voelt hij zich „gezegend”. „We hebben heel veel geluk dat iedereen veilig en zonder verwondingen hier heeft kunnen komen.”

Huibert de Graaf en zijn collega’s hielpen mensen die de stad waren ontvlucht. Hij werkt 58 kilometer ten noorden van Fort McMurray in een mijn van Shell. De acht kilometer-lange weg tussen de snelweg en de mijn stond de afgelopen dagen vol auto’s, vertelt hij. „Het was dinsdag een gekkenhuis, er kwamen duizenden mensen het terrein op, bumper na bumper. Het is nog steeds volop aan de gang.”

De mijnwerkers wilden diesel naar brandweermannen brengen, maar die konden ze niet bereiken, vertelt De Graaf. In plaats daarvan vulden ze de tanks van honderden auto’s. „Mensen hadden die van een ander gepakt, omdat hun eigen auto was afgebrand. Er waren veel honden, katten en vogels. Het was hectisch en interessant. Ik heb er wel een goed gevoel over, omdat we zoveel mensen hebben geholpen.”

In het kamp bij de mijn, waar zo’n 3000 bedden staan, slapen op de vlucht geslagen mensen, zegt De Graaf. Hij is nu thuis in Debolt, 700 kilometer verder, maar gaat waarschijnlijk maandag weer werken. Niet in de mijn, waar alle werkzaamheden zijn stilgelegd, maar waarschijnlijk om mensen te helpen evacueren.

Ed van Harskamp zag in het kamp waar hij verbleef, honderden gezinnen aankomen. „Huilende ouders, gedesoriënteerde kinderen en angstige huisdieren. Omdat de mensen veelal met niets kwamen, sprokkelden de ’vaste bewoners’ van alles bij elkaar aan eerste levensbehoeftes. De saamhorigheid in het kamp was goed te voelen.” Van Harskamp, die werkt bij een bedrijf dat kranen verhuurt, is inmiddels terug in Nederland.

Dat geldt niet voor Ron Markus. Hij werkte bij een olieraffinaderij voor een Nederlands bedrijf dat met camera’s en intercoms toezicht houdt op de veiligheid van de werkers. Omdat de brandweerlieden die standaard op de raffinaderij paraat staan, moesten helpen met blussen, werd het werk stilgelegd. Met collega’s zit Markus tijdelijk in een kamp 40 kilometer ten noorden van Fort McMurray. „Het is hier nog niet kritisch, maar uit voorzorg vertrekken we zo snel mogelijk. Ik wil graag terug naar m’n familie.”