41974
Binnenland

Bioloog Kees Moeliker is de aangewezen persoon voor bizarre dierverhalen

De Eendenman en de Verslikvis

— Bioloog Kees Moeliker maakt naam met bizarre natuurverhalen. Neem zijn reddingsactie voor de allerlaatste schaamluis. Of de homoseksuele, necrofiele woerd. En wat te denken van de Domino-mus, die 23.000 steentjes omver vloog voor hij werd afgeschoten en in Moelikers museum belandde? De Eendenman weet wat ons boeit.

Kees Moeliker met het lege schild dat, ook al was het een lege huls, toch heel aantrekkelijk was voor een schildpadmannetje.

Kees Moeliker met het lege schild dat, ook al was het een lege huls, toch heel aantrekkelijk was voor een schildpadmannetje.

Kees Moeliker met het lege schild dat, ook al was het een lege huls, toch heel aantrekkelijk was voor een schildpadmannetje.

Kees Moeliker met het lege schild dat, ook al was het een lege huls, toch heel aantrekkelijk was voor een schildpadmannetje.

De Verslikvis, het jongste museumstuk, drijft in een potje sterk water, naast de Domino-mus, de Trauma-meeuw en de Kruiskopschroef-rat. Ogenblikkelijk nadat Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, het telefoontje had gekregen van het Erasmus Medisch Centrum, beende hij ernaar toe.

„Ze vroegen of ik een visje wilde dat in een keel was blijven steken. Op een feestje had een vriendengroep in Vlaardingen levende goudvissen uit een aquarium opgegeten. Dat doen mensen na veel bier. Ja, ík niet, ik beperk me graag tot een haring of lekkerbekje. Goed, toen de goudvissen op waren, probeerde eentje een pantsermeervalletje. Maar dat gezelschapsdiertje van vijf tot zeven centimeter, bedoeld om rustig naar te staren, zette meteen zijn stekels uit.”

Muurvast in de keel. Meer bier hielp niet, braken ook niet, smeren met honing niet. Het beestje moest operatief worden verwijderd. De visslikker lag dagen op de intensive care. Het meervalletje overleefde het niet, maar ligt nu voor eeuwig in het rariteitenkabinet van het Natuurhistorisch Museum.

De 56-jarige Kees Moeliker staat al jaren bekend als De Eendenman. „Een dode eend heeft mij op de kaart gezet, en dat heb ik geen seconde betreurd.” Op 5 juni 1995, om 17.55 uur, vloog een eend zich met een harde klap te pletter tegen de glazen museumpui, recht onder de werkkamer van de bioloog. Moeliker keek naar buiten en zag dat de dode woerd direct verkracht werd door een andere eend. Vijf kwartier lang. Zijn relativerende beschrijving van dit eerste geval van necrofiele homofilie bij de wilde eend, wekte wereldwijd de lachlust.

Ig Nobelprijs

„In 2003 heeft de eend me een Ig Nobel opgeleverd, een parodie op de Nobelprijs, voor onderzoek dat mensen eerst aan het lachen maakt en vervolgens tot nadenken stemt. Want het maakte wel het gesprek los, over anders-soortige seksualiteit en over de hoge mortaliteit van vogels die tegen glas vliegen.”

Sindsdien geeft Kees Moeliker overal op de aardkluit voordrachten over opmerkelijk diergedrag, en hield hij in Californië een TEDtalk. „De echte dode eend is opgezet en ligt veilig in de tentoonstelling Dode Dieren met een Verhaal, maar ik neem altijd een opgezette stand-in mee, die meer vlieguren heeft dan hij bij leven had. Zonder eend kan ik het niet, het is als het geluksbloesje van de zanger.”

Met de eend in een plastic tasje gaat hij dan het podium op. „Vijf- tot zesduizend man in de zaal, allemaal nieuwsgierig: wat zit erin? Normaal neem ik altijd het tasje van de goedkoopste supermarkt ter plaatse. Bij die TEDtalk had ik een Albert Heijn-tasje meegenomen. Anderhalf miljoen kijkers op internet, maar de grootgrutter heeft de hint helaas niet opgepakt.” Tot grote hilariteit van zijn gehoor liet hij de opgezette eend doorgeven in de zaal.

Op Dead Duck Day, elke 5 juni om 17.55 uur exact, wordt de eend herdacht. Het gezelschap zet die plechtigheid voort achter een zesgangen eend-menu bij de Chinees.

Vergissinkje

De eend werd de wegwijzer voor de hele wereld. „Dit schildpadschild kreeg ik uit Azerbeidzjan, van Stephen Butler. In zijn achtertuin paren de schildpadden altijd en dan hoort hij keihard tók-tók-tók. Op een dag zag hij een mannetje op een leeg schild klimmen. Vergissinkje in de paring.” Dan heb je hem.

Moeliker - zijn jongste boek heet De Kloten van de Mus - weet dat de dierenwereld aandacht krijgt door bijzondere verhalen. „Een dode koolmees is alleen maar een dode koolmees. Van de 400.000 geconserveerde dieren in dit museum ligt 99,9% anoniem in een doosje of laatje. Die 0,1% andere moeten het doen.”

Hij haalt het dekseltje van een doosje, op de bodem ligt een geelgevederd bolletje met pootjes. „Het koppie ontbreekt. Op 5 augustus 2009, in Kollumerzwaag, vond de eigenaar zijn kanariepietje onthoofd op de bodem van het dichte kooitje. Vanwege de warmte hing het kooitje buiten. Het kopje is nooit teruggevonden, van de dader geen spoor. Het zou zo maar kunnen dat iemand het gefluit heel erg zat was.”

Schooltas

In een vitrine staat de schooltas van biologieleraar dr. A.B. van Deinse. „Gemaakt van de huid van de penis van een vinvis. Had de scheepsarts van de Willem Barendsz, de laatste walvisvaarder, voor hem meegenomen en op Sinterklaasavond 1957, gerold om het bekkenbot van de vinvis, voor zijn deur gezet.”

Moeliker is de aangewezen persoon voor bizarre dierverhalen. De bioloog kreeg de lachspieren in beweging met de actie Red de Schaamluis, toen het beestje in 2007 dreigde uit te sterven omdat vrouwen massaal overgingen tot een Brazilian, en hun venusheuvel kaalschoren.

Al jong was hij gefascineerd door de natuur. „Kreeg ik van huis uit mee, ik was zo’n jongetje met een brilletje, altijd buiten dieren kijken. Kreeg ik voor mijn verjaardag een vogelboek, móest ik ze allemaal afvinken. Een uil in het Kralingse Bos, een meeuw bij de Rottemeren, op vakantie aan zee een steltloper. Thuis kookte ik de schedeltjes van gevonden dode vogels uit. Op een brander in het schuurtje, niet in de keuken. Maar mijn moeder stimuleerde het natuurvorsen wel, en had een diepvrieslaatje voor me leeggemaakt.”

In het museum slaat hij de brug tussen mens en natuur. „Buiten loopt of vliegt alles weg, het voordeel van het museum is dat de dieren zich gemakkelijk laten bekijken. De belangstelling neemt toe, vorig jaar telden we 50.000 bezoekers.”

Shoarma

„De stad herbergt steeds meer dieren, in een vossenmaag vonden we shoarma. Hier komen veel vragen binnen. Hoe mensen meer bijen in de tuin kunnen krijgen, wat egels eten, of ze bij het zien van een stadsvos de jager moeten bellen. Liever niet. Komen ze een jampotje met zoetwaterkwalletjes brengen die in de haven zijn gevangen. Maar levende dieren gaan terug of naar de kinderboerderij. Wij accepteren alleen dode dieren.”

Pronkstuk is het gigantische skelet van een olifant. „Ik had Diergaarde Blijdorp ooit eens laten weten dat dat nog op mijn verlanglijstje stond. Telefoontje op vrijdagmiddag om vijf uur: olifantenstier Ramon was tijdens de paring overleden. We mochten hem hebben, maar dan moest-ie wel voor half tien in de ochtend weg zijn. Want hij lag buiten, en ja, de bezoekers… Weghalen was met dat gewicht geen optie. Wij met veertien man, alle medewerkers, ernaar toe. Snijden. Geweldig om de anatomie van een olifant te zien. Maar ik snap wel waarom ze dikhuid worden genoemd, er was niet doorheen te komen.”

Dan was die gemummificeerde rat een eitje. „Hij werd tussen vloer en plafond aangetroffen in een huis, met een kruiskopschroef in zijn kop. Kennelijk op de verkeerde plaats toen men planken aan het vastschroeven was.”

„In januari 2006 gaf een monteur van Kwikfit een muisje af aan de balie. Een autobezitter had bij hem geklaagd over piepende remmen. Het euvel was snel verholpen, tussen de remmen zat een dood muisje, helemaal zwart en goed geconserveerd door het remstof. De Piepende Rem-muis, hebben we hem genoemd. Een andere muis kwam via een omweg binnen. Op het Binnenhof was een muizenplaag. Op mijn verzoek om een dood exemplaar kreeg ik een formele afwijzing: niets van afval of ongedierte was beschikbaar voor een museum. Op een avond werd er bij mij thuis aangebeld. Een onbekende man, zijn kraag hoog op, gaf een officiële dienstenvelop af. ’Stop maar in de vriezer’ instrueerde deep throat onze kinderoppas. De Tweede Kamer-muis zat erin, de val er nog omheen. Met de lok-pindakaas.”

Zijn bewaardrift gaat nog een stapje verder dan dode dieren. „Alles wat uit mijn eigen lichaam is verwijderd, heb ik nog.”

Kromt duim en wijsvinger tot formaat pingpongbal. „Knapen van galstenen, ze hingen aan mijn ziekenhuisbed toen ik bijkwam. Mijn galblaas kreeg ik niet meteen mee, dat orgaan moest eerst voor onderzoek naar de patholoog. Ik later naar het Franciscus Gasthuis, zat er een briefje bij: ’Patiënt komt hem ophalen, is in orde’.”

Kees Moeliker snapt wel dat er hier en daar een wenkbrauw omhoog schiet. „Noem het beroepsdeformatie, maar ik heb ook de placenta’s van mijn kinderen op sterk water gezet. Het is toch het eerste teken van de band tussen moeder en kind. Als ze uit huis gaan, krijgen de kinderen die moederkoeken mee.”