41992
Binnenland

Het evangelie van De Kist

— Hij keek de dood in de ogen. Hersentumor, prostaatkanker. Zijn fanatisme voor het voetbal heeft er niet onder geleden. Simon Kistemaker (76), De Kist, de laatste culttrainer van het polderland. „Hoe ik me voel? Jongen, ik verveel me de kolere.”

Simon Kistemaker

Simon Kistemaker

Simon Kistemaker

Simon Kistemaker

Devoot, alsof het een heilig manuscript betreft, pakt hij de brief uit een stapel papieren. We zitten op zijn door de tijd tot minivoetbalmuseum omgebouwde zolderkamer. „Hier, lees”, zegt hij op de zo typerende vermakelijk dominante toon, die hem nooit heeft verlaten. Voor altijd De Trainer, voor altijd De Baas.

De brief is geschreven door Manuel Voll, oud-voetballer van DS’79, tegenwoordig directeur van een groot farmaceutisch bedrijf in Scandinavië. Voll had het even aangrijpende als humoristische boek De Kist gelezen, over de memorabele levenswandel van oefenmeester Simon Kistemaker, en schrijft: „Ik heb tijdens lezingen gezegd: ’Alles wat ik heb bereikt in de maatschappij dank ik aan één man, mijn oude trainer’. De wijze waarop u leiding gaf aan het team, hard maar altijd glashelder, was voor mij de grootste levensles.”

Kistemaker weet nog hoe hij Voll ’geweldig op z’n kloten gaf’, omdat de voetballer in een boze bui kanker-voor en kanker-na had geroepen.

„Dat woord wil ik nooit meer uit die smoel van jou horen”, zei ik. Had net Anneke, m’n eerste vrouw, verloren aan die vreselijke ziekte. Heb haar de laatste maanden thuis verzorgd en leefde daarvoor als het ware met haar in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Later lag ik daar zelf. Met een akelig strak masker op m’n kop in zo’n bestralingsapparaat, meer dood dan levend, zwaar onder de medicijnen. Ik zweer je dat ik Anneke hoorde zeggen: ’Kom maar, het is goed geweest zo’. Maar ja, opgeven past niet zo goed bij mij. Ik ben er nog, zoals je ziet. Eerst die hersentumor, toen prostaatkanker. Ik zat in revalidatiekliniek Meerstate en door het raam zag ik Marquette. Een park, maar voor mij toen het symbool van de vrijheid. Ik moest slapen, maar ik wilde niet slapen. Was niet te houden. Wilde lópen, ook al lazerde ik regelmatig om. Wilde dat bos in. Dat was m’n doelstelling, daar moest ik zijn. Nu loop ik er vaak. Symboliek, man. De Kist ligt nog niet onder de grond.”

Hoe gaat ’t nu met je?

„Jongen, ik verveel me de kolere.” Hij zwijgt even. Miezerregen trekt miniriviertjes over het zolderraam. „Ik mis het voetbal. Maar die brief… Mooi hè?”

Hij zat vrijdag in het clubgebouw van Telstar, om De Kist te promoten. Volgende week gaat hij naar Sneek om een praatje te houden voor een paar honderd voetballiefhebbers. Ze zijn hem nog niet vergeten, in het land.

„Ik heb me lang afgevraagd: wie zit er nog te wachten op mijn verhaal? Maar toen werd ik vorig jaar naar De Vijverberg (het stadion van De Graafschap, waar hij z’n grootste successen beleefde, red.) gelokt en maakten ze me erelid.” Hij toont een foto: Kistemaker naast Normaal-zanger Bennie Jolink op het veld, rechterhand omhoog in die typische pose, waarmee hij het publiek helemaal gek kon maken. In Doetinchem, maar ook in Dordrecht bij DS’79, in IJmuiden bij Telstar, in Utrecht bij de FC, bij Spakenburg, in Amsterdam bij Türkiyemspor. Overal geliefd en toch nooit op de bank bij een topclub. Hij kon trainer van Anderlecht worden, maar toen kreeg z’n vrouw kanker. Hij had oefenmeester van AZ kunnen worden, maar vond Dirk Scheringa een vreemde man. Hij had misschien langer bij FC Utrecht kunnen werken, maar kon het niet laten om bestuursleden voor onbetrouwbare fluitketels uit te maken, uitgerekend voor een beladen thuiswedstrijd tegen aartsvijand Ajax.

Een mens kan ook te eerlijk zijn.

„Ik wilde helemaal niet in beeld voor die pot. Had net gehoord dat de heertjes van het bestuur achter m’n rug trucjes aan het uithalen waren en ken mezelf. Eén goeie vraag van Jack van Gelder en ik zeg wat ik denk. Heb me toch over laten halen. Ja, en toen kon ik me dus even niet inhouden over die vieze vuile stiekemerds. We verloren met 0-3, vooral omdat we op het hardbevroren veld de beuk er niet in konden gooien, maar het publiek scandeerde m’n naam. Kwam ik ’s avonds thuis, was m’n vader overleden. Hersenbloeding. Op zijn begrafenis wist ik al dat ik eruit zou vliegen. En toen werd ik dus zelf ook nog behoorlijk ziek.”

Je bent angstaanjagend eerlijk, maar is het leven dat ook?

„Mijn eigen eerlijkheid bepaal ik zelf, wat de voorzienigheid met mij voor heeft niet. Verander je geen kloot aan. Als je moet kiezen tussen een topclub en het leven van je vrouw, dan ís er toch geen keuze? Georg Kessler was bij Anderlecht technisch directeur en wilde me hebben, omdat ik vroeger op de trainerscursus als jongste van de groep al altijd m’n ongezouten mening gaf. Die eerlijkheid heeft me later een hoop geld gekost. Thea (ik mag m’n handen dichtknijpen dat ik met haar weer een geweldige vrouw heb getroffen) zegt vaak tegen me: ’Je had wat vaker tot tien moeten tellen.’ Als Scheringa je wilde hebben, dan wist je dat je goed zat. Maar dat gesprek met hem stond me gewoon niet aan.”

Hij schuift theatraal twee A4-tjes tegen elkaar. „Deed Dirk ook. ’De Kist’, zei hij, ’hoe gaan we spelen? 4-4-2, 4-3-3, zeg het maar.’ Ik dacht dat ik gek werd. ’Weet ik veel hoe jij gaat spelen, dat moet je aan je huidige trainer vragen, maar ik vind het een rare vraag als ik nog niet eens weet wie m’n spelers zijn’, zei ik. Had ik eerst dat gezeik met die achterlijke fluitketels van FC Utrecht gehad en nu dit weer. Begon Scheringa ook nog te emmeren dat ik duizend gulden te veel salaris vroeg. En hij zei dat ik een kwartiertje moest wachten, want hij ging even twee schilderijen verkopen. ’Dan ga ik naar huis’, heb ik gezegd en ben opgestapt. Een klotebespreking, man. Ik miste warmte. Dan moet je later niet lopen zeiken dat je een unieke kans hebt laten lopen.”

Voel jij je nog trainer?

Gretig: „Absoluut. Ik liep vorig jaar dus met Bennie Jolink op het veld van De Graafschap, die práchtige club. Ging niet goed daar, op dat moment. Alles in mij popelde om erin te stappen en de problemen op te lossen, maar dan moet je nadenken. Er zat een hartstikke aardige trainer, die nog onder mij heeft gevoetbald en zo’n jongen moet je niet in de weg willen lopen. Maar m’n handen jeukten. En dat doen ze nog steeds.”

Telefonisch, tijdens het maken van de interviewafspraak, zei Kistemaker: ’Henk de Jong begint na de winterstop als nieuwe trainer van De Graafschap’.

Nu: „Ja, dat soort zaken houdt mij nog zeer bezig.”

Je zou ook kunnen denken: ik ben 76, heb 55 jaar in dat wereldje rondgelopen, ’t is mooi geweest.

„Ja, maar De Graafschap is de warmste club waarbij ik heb gewerkt. Zoals ze daar nu nog over mij praten. Adoreren is een groot woord, maar het wederzijds respect is groot.”

Maar zelfs daar joeg je de voorzitter, baas van een slachterij, in de gordijnen. Zei je tegen een vertegenwoordiger die hem zocht: ’Je kunt hem niet missen. Hij is het enige varken met een hoed op’.

„Was hij niet blij mee. Heeft een paar maanden niet meer met me gesproken. Ach ja…”

Hoe ziet een dag van De Kist er tegenwoordig uit?

„Nou, dat is een behoorlijk saaie bedoening. Kop thee, licht ontbijtje, bij speciale gelegenheden een stukje appeltaart. En elke dag lopen. In Marquette.”

Wanneer je zoveel klappen hebt gekregen als jij, zou het logisch zijn dat je alles gaat relativeren en zeker het voetbal, de belangrijkste bijzaak op aarde.

„Pas als ik dood ben, ga ik denken: ’t is mooi geweest met dat voetbal. In het ziekenhuis voelde ik ook zelf wel dat het niet goed ging. Ze konden de tumor niet weghalen, want dan zouden de kleine hersenen worden beschadigd. Zou ik kwijlend wakker worden, met m’n boordknoopje vast aan m’n gulp. Het was dus bestralen en hopen dat het zaakje niet ging groeien, want dan was het einde verhaal. Na die bestralingen zei ik tegen Thea: ’Ik ga weer trainen’. En toen begon de ellende, met al die radio-actieve rotzooi in m’n kokosnoot. Godverdorie, wat heb ik me klein gevoeld.”

De voetbalwereld mist jou.

„Ik zal je vertellen… Wat Peter Bosz nu doet met Ajax: druk zetten, zonder laatste man spelen, risico’s nemen, dat deed ik met al m’n clubs. Zeiden ze: Wat ben je toch naïef bezig... De lafheid is in het voetbal geslopen. Ze spelen te vaak om niet te verliezen en niet om te winnen. De toeschouwers willen spektakel zien, de meeste trainers kennelijk niet.”

Zou het echt te laat zijn: Kistemaker en Hans Kraaij jr. als het gedroomde duo op de bank bij De Graafschap?

Hij zucht. „Ik heb het gezegd. Kraaij coachen en trainen en ik op de achtergrond, met mijn ervaring. Zou niet verkeerd zijn. Naar mij luisteren ze wel, dus Hans zou geen last krijgen van vervelende bemoeizuchtige types. Het was ideaal geweest. En ook nog een garantie voor dolle pret. Ach ja…”

Je ziet hem denken. Hij wil de nieuwe man niet dwarszitten, maar dat Henk de Jong trainer van Cambuur bleef toen z’n assistent werd ontslagen, heeft Kistemaker nooit begrepen.

„Begon hij over z’n hypotheek die ook betaald moest worden. Sodemieter op, man! Je bent toch een vent!”

„Ik stel mezelf vaak de vraag: kun je het nog wel? De hele dag op dat veld staan uiteraard niet meer. Maar ik heb nog zoveel kennis, zoveel ervaring. De voetballers wilden graag bij me spelen. Niet omdat ze bij mij het meest verdienden, maar omdat ik ze beter maakte. Bij mij investeerden ze in zichzelf. En dat zouden ze nog kunnen doen. Als ze bereid zouden zijn om keihard te werken en niet aan te komen met die achterlijke kapsels en die krankzinnige tatoeages, want dan schopte ik ze er meteen uit.”

Het door oprechte liefde voor het voetbal gedreven excentrieke gedrag van trainers als Korbach en Kistemaker is verdreven door de gekunstelde aanstelleritis van verwende voetballers.

„Precies! Jochies van achttien en nu al miljonair, het zijn gewoon vervelende gasten geworden. Die rare maniertjes, dat bizarre gejuich. Die Depay en Elia als ze zich in Noordwijk melden bij het Nederlands elftal… Om te kotsen. Alsof Circus Renz binnenkomt. Het interesseert ze geen kloot dat ze voor Nederland spelen. En dat is de schuld van het wereldje. Gebrek aan discipline. Dat juichen, ik erger me er kapot aan. Weglopen bij je medespelers om alle eer voor jezelf op te eisen, walgelijk. Ik zou zeggen: normaal doen of ik schop je van het veld af. Dat zouden álle trainers moeten roepen. Maar denk jij dat Van Bronckhorst de baas is bij Feyenoord? Ik niet. En dat Cocu de baas is bij PSV? Ik niet. Die rare gewoontes ook van tegenwoordig. Word je gewisseld, moet je twintig man een hand geven. Terwijl je op dat moment de smoor in hebt, want niet één voetballer vindt het leuk om naar de kant te worden gehaald. En dan dat kleffe gedoe met die handen… Sodemieter op man!”

Criticasters van jou zeggen: ’Kleurrijke trainer, die Kistemaker, maar hij ging soms te ver’. Hans Kraaij jr. opdracht geven om Van Hooijdonk in z’n oor te bijten en dan boos worden, omdat hij z’n tanden in Pierres nek heeft gezet (’Ik heb toch gezegd: z’n óór’): dat is behoorlijk extreem.

„Het verhaal wordt steeds mooier gemaakt... Van Hooijdonk kreeg van onze verdedigers te veel ruimte, dus ik zeg in de pauze tegen Kraaij: ’Godver, nu is het afgelopen, jij gaat die Pierre uitschakelen. Wat gebeurt, dat gebeurt, al bijt je ’m een oor af’. Zet Hans z’n tanden in die nek. Toen kon ik het niet laten om toch even over dat oor te beginnen.”

Wonderlijk: de man, die om te winnen zo’n beetje alles deed wat God en de wet hebben verboden, wordt op 76-jarige leeftijd nog gevraagd om het nationale politieteam te gaan coachen.

„Ja. Voor het Europees kampioenschap in 2018. Maandelijks trainen op het veld van Spakenburg, oefenwedstrijdjes en dan volle bak op dat toernooi in Frankrijk. Moet er nog even goed over nadenken, want ik verdien er geen ene kloot mee. Thea zegt: ’Je bent je hele leven met dat voetbal bezig geweest en dan zou je je nu nog voor nop, moeten uitsloven… Heeft ze wel gelijk in, want als ik het doe, wil ik er alles uithalen. Uit de spelers en uit mezelf.”

Hij pakt een velletje papier van z’n bureau. „Kijk, de spelerslijst. Ik heb er alvast bijgezet wat ze kunnen. En wat ze niet kunnen.”

Even, als tip voor jonge collega’s: hoe krijgt een trainer het voor elkaar om door spelers op handen te worden gedragen als hij ze regelmatig stuk voor stuk de huid vol heeft gescholden?

„Ten eerste moet je respect afdwingen. Als je eerlijk bent, kun je keihard zijn. Dat wordt geaccepteerd. En je moet zorgen dat er gelachen wordt, heel belangrijk. Hoe kijken spelers en publiek naar me, daar gaat ’t om. Hoe bestuurders over mij denken, interesseert me geen zak.”

Hoe is het voor een zoon van het christendom om, nota bene bij het nuchtere De Graafschap, nog altijd geëerd te worden als de god van het Kistendom?

„Daar moet je wel even aan wennen. Maar mij hoor je niet klagen. Ik heb natuurlijk een paar tikjes gehad en dan is het extra prettig om zoveel jaren later nog zeer te worden gewaardeerd.”

Hij kijkt door het raam van z’n zolderkamer. ’t Is opgehouden met regenen.

„Ik heb hier alles”, zegt hij. „Behalve een club.”