Nieuws/Binnenland

Samenwerking tegen terreur niet vanzelfsprekend

Amsterdam - Zelfs met de grensoverschrijdende terreurdreiging in Europa is nauwe samenwerking tussen Europese geheime diensten niet vanzelfsprekend. Dat zeggen terrorismeprofessor Edwin Bakker en senior onderzoeker Jelle van Buuren, beiden van het Leidse Centre for Terrorism and Counterterrorism.

De wetenschappers reageren sceptisch op de lancering van het nieuwe anti-terrorismecentrum ECTC binnen Europol, waar lidstaten informatie zouden moeten gaan delen over terrorisme. Europol zegt dat samenwerking noodzakelijk is, omdat terroristen vrijelijk rondreizen door Europa. Zo waren de daders van de aanslagen in Franrijk deels afkomstig uit België en reisden zij ongehinderd langs alle Europese landsgrenzen.

Professor Bakker zet vraagtekens bij de kans op succes voor de nieuwe Europol-afdeling tegen terrorisme: ,,Er wordt met iets te groot gemak weer iets gelanceerd waarmee men in de praktijk maar moeilijk uit de voeten kan. Of waar lang niet iedereen aan mee doet.”

Van Buuren is eveneens kritisch op de zoveelste ‘intensivering’ van samenwerking tussen inlichtingendiensten. Volgens Van Buuren werken geheime diensten intensief en goed samen, echter zolang het vertrouwde partners betreft, en dat zijn lang niet alle lidstaten. ,,De favoriete vorm van samenwerking is bilateraal. Dat biedt de beste garantie voor bijvoorbeeld bronbescherming. Bovendien willen diensten nieuwe informatie terugkrijgen voor hun geleverde informatie. Ruilen, dus. Om informatie in een collectieve bak te gooien is daarom niet slim. Je kan beter je eigen informatie vier keer ‘ruilen’. Dat doe je met vertrouwde partners. Informatie is macht. Als je een unieke inlichtingenbron hebt, heb je een voorsprong op andere diensten. Geheime diensten willen helemaal geen formele instituties en structuren, maar willen juist hun handen vrijhouden. Prachtig hoor, al die verklaringen van beter samenwerken, maar zo werkt het niet. De nationale veiligheid is en blijft een zaak voor de lidstaten zelf.”

Van Buuren spreekt zelfs over ,,machteloze oproepen met een sterk symbolisch karakter, die haaks staan op de werkelijkheid”. ,,Geheime diensten van de lidstaten hebben elk hun eigen cultuur en methoden. Ze werken samen, maar voornamelijk in hun eigen belang.”

’Bitter noodzakelijk’

Europol zegt dat de terrorismedreiging door met name de ,,commando-achtige aanvallen van de Islamitische Staat” samenwerking tussen de lidstaten meer dan ooit bitter noodzakelijk maakt. ,,Europa wordt geconfronteerd met de grootste terreurdreiging in de afgelopen tien jaar.”

De Europese ministers van justitie en binnenlandse zaken besloten afgelopen november tot de oprichting van de ‘European Counter Terrorism Centre’ (ECTC), dat wordt geleid door een Manuel Navarrete, een expert op het gebied van contraterrorisme van de Spaanse Guardia Civil. De eenheid, gisteren officieel gelanceerd, telt een veertigtal medewerkers.

Volgens Europol wordt na de aanslagen in Parijs wél nauw samengewerkt tussen de lidstaten. ,,We hebben 60 officieren aangesteld om de Belgische en Franse onderzoeken te ondersteunen. Tot nu is 2,7 terabyte aan informatie ontvangen van beide landen, wat heeft geleid tot 800 mogelijke aanwijzingen voor inlichtingendiensten en 1600 aanwijzingen omtrent verdachte financiële transacties. Europoldirecteur Rob Wainwright heeft forse ambities: ,,We willen het centrale informatiecentrum worden voor de strijd tegen terrorisme in de EU.”

Onderzoeker Van Buuren komt echter op basis van Europols eigen cijfers tot een andere conclusie. ,,De oproep voor meer en betere informatie-uitwisseling is niet nieuw, om het mild uit te drukken, want die gaan al terug tot 2001. Dat politieke beloften geen gelijke tred houden met de werkelijkheid, erkende Europol zelf ook in een rapport. Lang niet alle lidstaten doen mee met informatiedeling. Voor de Charlie Hebdo aanslagen in Parijs in januari 2015 was slechts 4 procent van de uitgewisselde informatie gerelateerd aan terrorisme. Dat piekte vier weken lang naar 8 procent, maar viel daarna weer terug naar het oude niveau van 4 procent. Opvallend is ook dat slechts een handjevol lidstaten verantwoordelijk is voor de invoer van de meeste informatie.”