Nieuws/Binnenland

Poëzieweek in teken van humor

Deelder trakteert op ’Rotterdamse kost’

Dichter Jules Deelder: „Ik hou van poëzie waarin volkse taal gebezigd wordt.”

Dichter Jules Deelder: „Ik hou van poëzie waarin volkse taal gebezigd wordt.”

Roel Dijkstra

De Poëzieweek staat dit jaar in het teken van humor. Logisch dus dat het Poëziegeschenk, het boekje dat iedere koper van een dichtbundel tussen 26 januari en 1 februari in de boekhandel cadeau krijgt, is geschreven door Jules Deelder. De Rotterdamse dichter heeft tijdens zijn performances steevast de lach aan zijn kont hangen. En straattaal, absurdisme en jazz gaan hand in hand in zijn gedichten.

Dichter Jules Deelder: „Ik hou van poëzie waarin volkse taal gebezigd wordt.”

Dichter Jules Deelder: „Ik hou van poëzie waarin volkse taal gebezigd wordt.”

Roel Dijkstra

„Weet je wat ik humor vind? Dat dit boekje in een oplage van 15.000 stuks – dat is een ongekend groot aantal voor een dichtbundel – uitkomt en geheel en al over Rotterdam gaat. Heel Holland leest straks Rotterdamse kost”, zegt hij terwijl hij de omslag van het geschenk, strak vormgegeven in de kleuren van de Rotterdamse vlag (groen-wit), aait.

„Mijn groene overhemd en nagellak passen er mooi bij”, knikt de 72-jarige schrijver genietend. „Nee, ik heb niet meegedaan aan die actie van Serious Request. Ik lak al jaren mijn nagels. Vind ik prettig. Het is een mooie manier om vuile nagels te maskeren.”

Rotterdamse kost is een serie van tien gedichten, die een geheel vormen en die allemaal over typisch Rotterdams eten gaan. Van uierboord en kroten tot kapsalon. Dat laatste is volgens Deelder ’een ultra-vette hap, waar een hond geen brood van lust maar een Turk wel páp’.

Hij grinnikt. „Ik ben benieuwd of ik hier nog een reactie op krijg uit Turkse hoek. Misschien heeft Erdogan hier ook iets op te zeggen? Kennen ze in Istanboel al onze kapsalon? Ik weet het niet. Nou ja, het zal me verder aan me reet roesten wat mensen ervan vinden. Ze krijgen het gratis.”

Zelf is hij in elk geval tevreden over het resultaat. „De dichter is in staat om het banale met het verhevene te verenigen. Daar gaat het om in de kunst. Dat je het alledaagse ontstijgt en in een flits ziet, waar het om gaat in het leven. Voor mij is het uiteindelijke resultaat van een gedicht goed, als het een zekere vanzelfsprekendheid heeft. Alsof het er altijd al is geweest.”

„In zekere zin dat ook zo. We gebruiken immers allemaal dezelfde 26 letters van het alfabet. Het gaat erom hoe je ze achter elkaar zet. Dat is niet eenvoudig. Ik schud mijn gedichten ook maar zelden in een keer uit mijn mouw. Meestal moet ik ze 500 keer door de machine halen, voordat ze goed zijn. Maar dat mag je er niet aan aflezen.”

Een langs-je-neus-weg-kwaliteit noemt hij dat. „Ik hou van poëzie waarin volkse taal wordt gebezigd en tegelijkertijd alle wetten van de poëtica gerespecteerd worden.”

Humor is een noodzaak voor Deelder. „Zonder humor is het toch niet uit te houden op deze aardkloot? Nee, in de Nederlandse poëzie kun je niet veel schuddebuiken van het lachen. De lach wordt door velen gewantrouwd. Maar persoonlijk vind ik humor de allerhoogste vorm van de uiting van menselijke cultuur.”

Dichten doet Deelder naar eigen zeggen uitsluitend in de tussentijd. Tussen het dagelijks leven en de optredens door. Met de computer werkt hij niet. „Ben je mal? Dichter online, daar geloof ik ook niet in. Virtuele wereld, pleur op! Niks poëzie in de cloud. Dat is me te nevelig. De stekker eruit en alles is weg”, zegt hij stellig.

„Ik wil zwarte woorden op wit papier. Een gedicht moet ook esthetisch zijn en een grafische kwaliteit hebben. Iets in een vorm gieten, dat is dichten. Vijf woorden kunnen soms genoeg zijn. Die woorden vormen dan een formule waarin je dingen oproept, die niet zomaar gezegd of geschreven kunnen worden.”

„Niemand vraagt erom en toch schrijf ik het op. Dat is het mooie van kunst. Het is het enige wat geen nut mag hebben. Of beter gezegd, dat geen nut moet hebben. Want kunst die nuttig is, vind ik verdacht. Het hoort op zichzelf te staan”, zegt Deelder.

„Zolang ik nog weet dat ik er ben, blijf ik dichten.” Bang voor de dood is de schrijver niet. „Als je dood gaat, gaat het licht aan. Dan blijkt dat je hier al die tijd in het duister hebt getast. Opgaan in het al. Ik vind het een troostrijke gedachte. De dood maakt ons allemaal gelijk.”