Nieuws/Wat U Zegt

Stemmers vinden huidige AOW-leeftijd veel te hoog

Uitslag Stelling: Aantal dienstjaren tellen

1 / 2

Peter Schoonen

Een flexibele AOW, daar heeft 90 procent van de deelnemers aan de Stelling van de Dag wel oren naar, maar bovenal zijn veel respondenten van mening dat de huidige AOW-leeftijd, nu 67 jaar en drie maanden, te hoog is en terug moet naar 65. Een flexibele AOW, daar heeft 90 procent van de deelnemers aan de Stelling van de Dag wel oren naar, maar bovenal zijn veel respondenten van mening dat de huidige AOW-leeftijd, nu 67 jaar en drie maanden, te hoog is en terug moet naar 65 jaar.

1 / 2

Peter Schoonen

Vakbond FNV kwam gisteren met een plan voor flexibilisering van de AOW, waarbij de richtleeftijd maximaal vier jaar naar voren of naar achteren kan worden geschoven. Wie eerder stopt met werken, krijgt dan minder AOW, wie langer doorwerkt meer.

Menig respondent hekelt het tempo waarin het kabinet de AOW-leeftijd heeft verhoogd. Dat is veel te snel gegaan. Vooral mensen met een zwaar beroep hebben hieronder te lijden, stellen zij. Vrijwel niemand van de deelnemers, op een schamele 5 procent na, gelooft dat er veel werknemers zijn met een zwaar beroep die probleemloos de eindstreep halen.

Deze mensen zouden eerder moeten kunnen stoppen met werken, meent ruim driekwart. Maar beter dan een flexibele AOW, waarbij men een lagere uitkering krijgt als men eerder stopt, kun je volgens menigeen in plaats van naar leeftijd naar dienstjaren kijken. Na 40 jaar is het genoeg geweest. „Bouwvakkers werken vaak al met 18 jaar, waar hogeropgeleiden pas (ver) na hun 20e aan het werk gaan. Door alleen naar leeftijd te kijken, werken veel mensen in zware beroepen vaak juist langer dan mensen in lichte beroepen. Een flexibele en dus lagere AOW zal mensen in zware beroepen niet helpen. Zij hebben vaak een te klein pensioen om dat op te vangen.”

De FNV pleit voor compensatie via fiscale maatregelen voor lage- en middeninkomens. Ruim 70 procent van de stemmers vindt zo’n compensatie terecht, maar anderen zijn daar op tegen omdat ’alles dan zo ingewikkeld wordt, dat mensen niet meer weten waar ze recht op hebben’.

Bijna een op de drie lijkt het trouwens een onbegonnen zaak om te definiëren wat nou een zwaar beroep is en wat niet. „Ook beroepen met vooral geestelijke inspanning in een omgeving met een hoog tempo aan veranderingen kunnen eveneens als zwaar worden ervaren”. Een ander zegt: „Ik heb twintig jaar bij de marine gezeten, geestelijk en fysiek een makkie. Met 53 met pensioen. Zit nu in het onderwijs. Dit is niet te vergelijken, veel zwaarder.”

Dat bouwvakker onder de zware beroepen valt, daar is 90 procent het mee eens. Verpleegkundige en boer scoren met respectievelijk 70 en 57 procent eveneens hoog op de zwaarte-ladder. Helemaal onderaan bungelt de kantoorwerker met 14 procent.

Mensen met een zwaar beroep zich op latere leeftijd laten omscholen is volgens de meesten nutteloos ’want de werkgevers willen geen ouderen’. Een klein percentage lijkt omscholing zeker zinvol, zodat deze werknemers tien tot vijftien jaar voor hun pensioen minder zwaar werk kunnen gaan doen.

De meerderheid vindt overigens dat alle werknemers zouden moeten kunnen kiezen voor een flexibele AOW en niet alleen mensen met fysiek zwaar werk. Maar, voegt iemand toe: „Mensen moeten leren ook zelf financieel voor hun oude dag te zorgen. AOW dient vooral gezien te worden als een absoluut minimum en niet als een volwaardig inkomen.”

Veel respondenten vinden het voor de arbeidsmarkt beter als ouderen eerder stoppen met werken. „De jeugd staat te popelen om ervaring op te doen. Geef ze die kans!”

Margo Stols