60135
Binnenland

Rijks brengt woelige relatie tussen Zuid-Afrika en Nederland in beeld

’Goede hoop’ is kleurige les

Op de expositie is veel aandacht voor de anti-Apartheidstrijd in Nederland en Zuid-Afrika.

Op de expositie is veel aandacht voor de anti-Apartheidstrijd in Nederland en Zuid-Afrika.

Natuurlijk is het Rijksmuseum eerst en vooral van Rembrandt en de Gouden Eeuw. Maar het Rijksmuseum wil ook ’het geheugen van Nederland’ zijn. Daarom organiseert het nu de eerste grote historische tentoonstelling sinds zijn heropening in 2013. In Goede Hoop wordt de al bijna 400 jaar durende haat-liefde verhouding tussen Zuid-Afrika en ons land in beeld gebracht. Ruim 300 objecten maken een woelige geschiedenis zichtbaar, waar de meesten van ons eigenlijk maar bar weinig van weten.

Op de expositie is veel aandacht voor de anti-Apartheidstrijd in Nederland en Zuid-Afrika.

Op de expositie is veel aandacht voor de anti-Apartheidstrijd in Nederland en Zuid-Afrika.

Van het roemruchte VOC-verleden, de slavernij en de Boerenoorlogen tot Apartheid, alles komt op deze ’baie interessante’, maar soms ook pijnlijke presentatie aan bod. Daarbij is er steeds oog voor de nuance en de kleine menselijke verhalen. Zo maakt de bezoeker kennis met Krotoa, het dienstmeisje van Jan van Riebeeck, die als geboren Khoikhoi (door de Nederlandse kolonisten laatdunkend Hottentotten ofwel stotteraars genoemd) haar meester al in 1659 waarschuwt: „Pas wel op! U lant sal nu lustigh vol oorlogh wesen.”

Profetische woorden. Want terwijl Jan van Riebeeck in opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie een permanent verversingsstation voor de handelsschepen in de Kaap opzet, wordt stap voor stap de inheemse bevolking teruggedrongen. Dat levert van meet af aan spanningen op.

„Het was absoluut geen leeg land, toen de eerste kolonisten hier voet aan wal zetten, zoals later de mythe uit de tijd van het Apartheidsregime luidde”, zegt Martine Gosselink, hoofd van de historische afdeling van het Rijksmuseum, die de tentoonstelling samenstelde. Dat onderstrepen ook de fascinerende 18e-eeuwse tekeningen van Robert Jacob Gordon, die het ’nieuwe’ land letterlijk in kaart bracht en aan wiens fascinerende tekeningen en manuscripten (ook allemaal te bekijken via de deze week gelanceerde website www.robertjacobgordon.nl) terecht een hele zaal is gewijd.

Deze Nederlander van Schotse afkomst was als militair bevelhebber naar Zuid-Afrika gekomen, maar ontpopte zich vooral als botanist, bioloog en cartograaf. Als kind van de Verlichting geloofde hij heilig in ’meten is weten’. En dus tekende Gordon elke berg, elk dier of plant dat hij tegenkwam uiterst nauwkeurig na. Zijn panoramische tekeningen van onder meer de baai bij Kaapstad, met uitzicht op de Tafelberg is een soort Google-maps avant-la-lettre, zo precies ging hij te werk.

In deze zaal prijkt ook een skelet van een giraffe, in de 18e eeuw nog een kameelpaard genoemd. Een bediende van Gordon schoot het dier, waarna de wetenschapper annex militair het beest ontleedde en de botten bij wijze van cadeau in 1777 aan stadhouder prins Willem V in Den Haag zond. Daar werd het onbekende dier tot zijn afschuw verkeerd in elkaar gezet. Van de rechte hals van de giraffe was een soort sierlijk gebogen zwanenhals gemaakt. Lang bleef de bijzondere giraffe niet in de Hofstad. Toen de Fransen in 1795 ons land binnenvielen, roofden zij het skelet, dat sindsdien in Parijs wordt bewaard.

Dat de komst van de Hollanders Zuid-Afrika voorgoed ingrijpend hebben veranderd, bewijzen de taal (het voor ons zo grappig en toch ook vertrouwd klinkende Afrikaans), de wetgeving, de streng-gereformeerde kerk en de typische Kaap-Hollandse architectuur. Maar omgekeerd zijn ook in Nederland de sporen van de innige maar woelige relatie met Zuid-Afrika terug te vinden. Sinds de Boerengekte rond 1900 schoten de Transvaalbuurten in talloze steden als paddenstoelen uit de grond.

Paul Kruger, tegenwoordig vooral bekend als natuurbeschermer, werd in Nederland als een ware held onthaald, toen de oud-president van Transvaal hier als vluchteling kwam. Er werd fanatiek geld ingezameld om de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) tegen de vermaledijde Engelsen (die uit waren op het goud en de diamanten die in Transvaal en Oranjevrijstaat gevonden werden) te financieren. Hoewel de Nederlandse overheid zich officieel neutraal opstelde in deze kwestie, liep het volk enthousiast uit voor Kruger.

Natuurlijk is er ook ruim aandacht voor de anti-apartheidsstrijd. Want de Nederlandse liefde voor Zuid-Afrika bekoelde flink toen in de twintigste eeuw de wetten om mensen op basis van huidskleur van elkaar te scheiden steeds strikter werden.

Waar in 1952 nog op groteske wijze, maar eendrachtig 300 jaar beschaving dankzij ’onze’ Jan van Riebeeck werd gevierd, ontstond er na de bloedige rellen in de townships Sharpville (1960) en Soweto (1976) felle kritiek op de blanke regering. Er kwam een activistische tegenbeweging op gang, waarbij veel Nederlanders het ANC van de gevangen genomen Nelson Mandela steunden. Onder hen ook voetballer Ruud Gullit die zijn gouden bal uit 1987 - ook te zien op de expositie - aan Mandela opdroeg.

De veelkleurige geschiedenisles die het Rijks de kijker voorschotelt, is even verhelderend als verwarrend. „Je weet vaak niet wat je denken moet”, zegt ook schrijver en Zuid-Afrikakenner Adriaan van Dis, die onder andere de bijbehorende audiotour insprak. „Deze uiterst complexe tentoonstelling laat je naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond.”

Martine Gosselink knikt: „We laten zowel de mooie als minder mooie kanten van onze relatie met Zuid-Afrika zien. Maar dat betekent niet dat we als geslagen honden door deze expositie moeten lopen. Juist niet. Er is ook veel om trots op te zijn. De relatie is er bovendien nog steeds en we kunnen zeker vandaag de dag nog veel van elkaar leren.”