Nieuws/Binnenland
683098842
Binnenland

Masteropleidingen vanaf 2022 van start

Universiteiten gaan basisschoolleraren opleiden

Den Haag - Vier universiteiten gaan waarschijnlijk masteropleidingen tot basisschoolleraar aanbieden. Het gaat om de Educatieve Masters Primair Onderwijs (EMPO’s) van de Vrije Universiteit Amsterdam, de Universiteit van Amsterdam, de Universiteit Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam die vanaf het volgende studiejaar moeten starten, meldt de vereniging van universiteiten VSNU.

Experts van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) hebben de opleidingen positief beoordeeld, maar de NVAO moet er nog officieel een handtekening onder zetten en ook de minister moet ja zeggen. Volgens een woordvoerder van de VSNU is de kans dat het nu nog afketst echter nagenoeg nul.

In totaal kunnen er vanaf september 2022 150 tot 200 extra basisschoolleraren per jaar worden opgeleid via de tweejarige masters. De universiteiten in Amsterdam en Leiden bieden gezamenlijk hetzelfde programma aan, de Erasmus Universiteit doet dat los. De programma’s lijken volgens de VSNU sterk op elkaar, maar de master in Rotterdam richt zich iets meer op grootstedelijke problematiek.

De opleidingen zijn bedoeld voor universitaire bachelorstudenten in de sociale wetenschappen, bijvoorbeeld pedagogiek of psychologie. Mensen die de bachelor universitaire pabo volgden, zijn al bevoegd om les te geven in het basisonderwijs.

VSNU-voorzitter Pieter Duisenberg: „De Nederlandse universiteiten willen meehelpen het lerarentekort op te lossen. Daarbij is er behalve in het voortgezet onderwijs ook een duidelijke behoefte aan academische leraren in het basisonderwijs. Met deze opleidingen kunnen we ervoor zorgen dat er meer universitair geschoolde leraren voor de basisschoolklas komen.”

De PO-Raad geeft aan een „groot voorstander” te zijn van meer academische leraren in het basisonderwijs. Voorzitter Anko van Hoepen: „Zij brengen andere vaardigheden de school in. Dit draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs en de aantrekkelijkheid van het beroep.”