72181
Binnenland

Kees van Beijnum keert met roman ’Het mooie seizoen’ terug naar Amsterdam

Wandeling door ’t oude decor

Kees van Beijnum: „Een boek schrijven begint met een vonk in de duisternis. Die vonk groeit uit tot een lichtzee als van de Arena bij een voetbalwedstrijd. Heel even, maar je ziet het hele verhaal ineens voor je. Je lijf siddert. Dan dooft het licht weer. Maar je hébt het gezien; dit ga je schrijven.”
1 / 2

Kees van Beijnum: „Een boek schrijven begint met een vonk in de duisternis. Die vonk groeit uit tot een lichtzee als van de Arena bij een voetbalwedstrijd. Heel even, maar je ziet het hele verhaal ineens voor je. Je lijf siddert. Dan dooft het licht weer. Maar je hébt het gezien; dit ga je schrijven.”

Met Het mooie seizoen, een roman over ouderschap, toeval en schuld, keert Kees van Beijnum terug naar zijn geboorteplaats waar het allemaal begon. „De film gaat aan zodra ik de trein uitstap.”

Kees van Beijnum: „Een boek schrijven begint met een vonk in de duisternis. Die vonk groeit uit tot een lichtzee als van de Arena bij een voetbalwedstrijd. Heel even, maar je ziet het hele verhaal ineens voor je. Je lijf siddert. Dan dooft het licht weer. Maar je hébt het gezien; dit ga je schrijven.”
1 / 2

Kees van Beijnum: „Een boek schrijven begint met een vonk in de duisternis. Die vonk groeit uit tot een lichtzee als van de Arena bij een voetbalwedstrijd. Heel even, maar je ziet het hele verhaal ineens voor je. Je lijf siddert. Dan dooft het licht weer. Maar je hébt het gezien; dit ga je schrijven.”

Tegen een tweede cappuccino zegt Kees van Beijnum geen nee. Het croissantje dat een medewerker van zijn uitgeverij in Amsterdam-Zuid goedbedoeld maar ongevraagd meebrengt, blijft liggen. Misschien dat hij zo zelf nog iets te eten haalt op de Albert Cuyp. Daar is hij al een tijdje niet geweest. Als de in Amsterdam opgegroeide schrijver in de stad is – hij woont al bijna zestien jaar in Bloemendaal – trakteert hij zichzelf op een omweg terug naar het Centraal Station. „De ene keer slenter ik eens via de Kinkerbuurt, dan weer pak ik een stukje Oost.”

Net als zijn bekendste en verfilmde boeken Dichter op de Zeedijk en De oesters van Nam Kee speelt Van Beijnums nieuwe roman Het mooie seizoen zich af in de hoofdstad. Niet in het centrum waar hijzelf opgroeide, maar een stuk meer naar het westen in Osdorp en Nieuw Sloten. „Ik zocht een wijk waar sociale en culturele verschillen langs elkaar wrijven. In Osdorp heb ik nog een poos op de middelbare school gezeten dus dat was bekend terrein. Nieuw Sloten is een heel nieuw deel van de stad. Een keurige wijk waar Beatrijs en haar zoon Arno echt thuishoren, maar waar je ook duidelijk die verschillen tegenkomt.”

Hoofdstukken verteld vanuit drie personages wisselen elkaar af. Beatrijs werkt als gezinscoach. Ze staat probleemgezinnen bij en controleert of de kinderen wel de juiste zorg en aandacht krijgen. Met haar man, nu op reis door Zuid-Amerika, en haar 16-jarige zoon Arno woont ze in West. Arno houdt zichzelf voor dat hij er wel komt, net als die andere voormalige sukkels Bill Gates en Steve Jobs. Er komt een dag dat hij een lange neus maakt naar al die pestende popiejopies en chicks die hem niet zien staan. Ex-leraar en vogelliefhebber Christian, hoofdpersoon drie, woont iets verderop in de villa van zijn pa, die na een aanrijding in het ziekenhuis ligt.

Van Beijnum liep ter voorbereiding veel door West. „Voor de details. Het verhaal zat al in grote lijnen in mijn hoofd.” Dat begon met een incident met een onder toezicht geplaatst kind. „Als we zoiets lezen of zien op tv is het al heel erg mis. Ik vroeg me af wat dat voor mensen zijn, deze voogden en gezinscoaches die wij verantwoordelijk houden voor andermans puinzooi. Het zijn niet de slechtsten onder ons, zal ik maar zeggen. Begaan met anderen en voor het geld doen ze het niet. Maar als ze dan, misschien, een steek laten vallen dan duiken we er met z’n allen bovenop. Als haaien op zoek naar bloed.”

In Het mooie seizoen verdwijnt een meisje. „Waarschijnlijk is er ergens een fout gemaakt. Hoe het precies zit daar kom je pas gaandeweg achter. Ik ben geen thrillerschrijver, maar vind het wel interessant om spanning op te bouwen. Het zijn niet altijd de grote dingen die een mensenleven sturen. Juist de kleine kunnen een enorm verwoestende uitwerking hebben.”

Arno maakt een opschepperige selfie. Eén keer doet hij wat die stoere jongens de hele tijd doen maar bij hem loopt het totaal uit de hand. Onhandige Christian helpt een kind omhoog dat tegen hem aanfietst in het park en is gelijk een pedo. Beatrijs ziet een hangslot op een kinderkamer en neemt, in haar hoofd druk met een ander klantje, de uitleg van de moeder voor lief.

De overtuigingskracht van literatuur zit ’m volgens Van Beijnum in de details. „Dat een lezer ervan overtuigd is dat ik een bepaalde scène zelf moet hebben meegemaakt. Terwijl ik het heb verzonnen. Als je als schrijver op eigen terrein komt, dan open je dat register makkelijker. Na een lange periode keer ik nu terug naar het decor van mijn vroegere boeken.”

Het is een roman – ook qua verhaal en vertelwijze lijkt het op zijn geliefde vroege werk – die Kees van Beijnum met veel plezier schreef. „Drama op lichte toon verteld. De researchfase was genieten. Dan loop ik daar in Nieuw-Sloten rond, ga het winkelcentrum in, wandel naar de Nieuwe Meer. De mensen die ik zie, de praatjes die ik opvang, de praatjes die ikzelf maak op straat. Hier hoor ik, denk ik dan. Dit is mijn terrein. Dit begrijp ik het best.”

Je kunt de man wel uit Amsterdam halen, maar Amsterdam niet uit de man. Hij zou zomaar eens weg kunnen gaan uit Villadorp B., zoals zijn eveneens schrijvende vrouw hun huidige woonplaats eens noemde in een boek. Terug naar de stad. Misschien als hun jongste haar eindexamen op zak heeft. „Sentiment. Op elk keitje heb je ooit een stap gezet. Ik voel me er thuis tussen de mensen, die onverschilligheid met een flinke dosis humor. En dat gekrioel dat gewoon bijna altijd goed gaat. Ik ben er soms drie keer per week, maar in mijn hoofd ben ik er elke dag.”