Nieuws/Binnenland

Haagse jihadverdachten blijven in voorarrest

Vier Haagse jihadverdachten, die onder meer verdacht worden van ronselen voor de jihad, opruiing en deelname aan een criminele terroristische organisatie, blijven in voorarrest. Dat heeft de rechter maandag bepaald. De advocaten van de verdachten hadden in de extra beveiligde rechtszaal De Bunker in Amsterdam ervoor gepleit om ze op vrije voeten te laten komen.

In hun pleidooien hadden de advocaten hun vraagtekens gesteld bij wat onder ronselen en opruiing valt en bij de kenmerken van een criminele organisatie, waartoe hun cliënten zouden behoren. Volgens de rechtbank zijn dat zaken die aan de orde komen bij de inhoudelijke behandeling in september, maar geen gronden om de verdachten nu vrij te laten.

Slechts één van de vier verdachten was aanwezig bij de zitting. Rudolph H., Jordi de J. en Oussama C. kwamen niet opdagen omdat ze bezwaren hebben tegen de verplichte visitaties die ze moeten ondergaan als ze de gevangenis verlaten om naar de rechtbank te gaan. Ze hebben een klacht lopen tegen deze praktijk.

Azzedine C., verdacht van ronselen voor de jihad en opruiing, was er wel. Hij spoorde de aanwezige moslims in de rechtbank aan om niet naar geweld te grijpen. „Geweld en haat zijn niet de oplossing”, stelde hij. Hij moedigde ze aan tot een constructieve bijdrage aan de maatschappij. „Ga in debat, ga demonstreren. Nederland is een land van mogelijkheden.”

C. vindt het diep triest „dat dit proces in de rechtbank en niet in een debathuis plaats vindt. Het gaat over smaak, meningen, fatsoen en morele waarden”, vindt hij, en niet over strafbare feiten.

C. verzocht de rechter in een emotioneel betoog om hem in vrijheid te stellen. Hij zit al negen maanden vast in voorarrest op de terrorismeafdeling van de gevangenis in Vught. „Ik ben bereid tot de strengste vorm van huisarrest, als mijn moeder maar naar me toe kan komen.”

In zijn betoog stak hij fel van leer tegen het strenge regime op de terroristenafdeling. „Ik kan mijn kinderen niet aanraken. Ik weet niet hoe mijn vrouw, mijn kinderen en mijn moeder voelen.” De rechter is het ook niet helemaal eens met dit regime, maar verwees hiervoor naar de lopende klachtenprocedure.