Nieuws/Binnenland

Niet boos, wel bang voor Nederlanders

De naam van kapitein Raymond Westerling jaagt nog altijd schrik aan in het gebied. Iedereen kent de verhalen over Nederlandse militairen die volgens de naar Westerling vernoemde methode 's nachts kwamen, dorpelingen bijeendreven en mannen standrechtelijk executeerden. Woensdag bepaalde de rechtbank in Den Haag dat Nederland aansprakelijk is voor de schade van kinderen en weduwen van geëxecuteerde mannen in Zuid-Sulawesi.

Het tussen de rijstvelden gelegen Salomoni is zo'n plek waar begin 1947 executies waren. In de heuvels rondom het dorp zaten Indonesische strijders. „De soldaten kwamen te voet, mijn man was de ronde aan het doen”, vertelt de oude weduwe Tarenre. Ze woont in haar traditionele huis op palen nog altijd op steenworp afstand van de onheilsplek.

Ze zag de executies. Maar ze realiseerde zich niet dat haar echtgenoot La Poto onder de doden was. Eenmaal thuis kwamen de dorpsbewoners haar halen. „Je man is erbij”, kreeg ze te horen. De Nederlandse militairen dachten misschien dat hij een spion was, denkt Tarenre, maar zij weet zeker dat hij dat niet was.

Wat toen gebeurd is, jaagt nog steeds vrees aan. „Ik ben niet boos, maar wel bang voor Nederlanders”, zegt bijvoorbeeld weduwe Sikati. Ze vertelt emotioneel hoe ze kilometers moest lopen naar Suppa, wat toen een broeinest was van het Indonesische verzet. Daar werd de bevolking uit de hele omgeving samengedreven onder het huis van de datoe; de anti-Nederlandse plaatselijke vorst.

Voor de ogen van angstige vrouwen en kinderen werden 208 mannen doodgeschoten, nadat ze waren uitgekleed en geslagen. Onder hen was Sikati's man Abdul Rahman, met wie ze een dochtertje had. „Ik weet niet waarom hij eruit werd gepikt”, zegt de nooit hertrouwde vrouw.

In korte tijd zijn zeker 3100 mannen geëxecuteerd in het gebied, dat toen nog Zuid-Celebes heette. Het heeft veel en diepe sporen achtergelaten. Nog afgezien van de vele begraafplaatsen en monumenten in het landschap, waar auto's nog steeds toeterend voorbijrijden om de geesten te verjagen, hebben nabestaanden hun leven lang gekampt met de gevolgen.

„Kunt u het zich voorstellen dat je man wordt gedood?”, klinkt het verwijtend uit de mond van Kakassa uit de regio Bulukumba. Ze was destijds zwanger. Haar man Majide -volgens familieleden een strijder- hield zich schuil in het bos, maar kwam tevoorschijn na de belofte dat het vrede was en hij zijn werk als boer weer kon oppakken. Hij werd doodgeschoten bij de plaatselijke markt; Kakassa stond er daarna alleen voor.