Nieuws/Binnenland
871890
Binnenland

Aandacht voor vergeten slachtoffers

Help de kinderen!

Gouden kansen laten militairen liggen om écht de harten en hoofden te winnen van burgerbevolking tijdens missies. Dat is de overtuiging van Niels Veldhuizen, algemeen militair verpleegkundige tijdens de Afghanistan-missie in 2008-2009. Dagelijks zag hij er kinderleed, maar geholpen werd er amper… want kinderen waren geen officiële taakstelling.

’Een doodziek kind kan je helpen óf laten doodgaan. Als je helpt, ontwikkel je sympathie waardoor een hele generatie vatbaar wordt voor onze denkbeelden. Dat opa zijn hele leven heeft gevochten, veranderen we niet, maar als je een kindergeest wint, win je de toekomst.”

Niels Veldhuizen – met vrouw en zoontje woonachtig in het Brabantse Eersel – schreef het boek ’Oorlog in mijn kop’ over de ervaringen die hij opdeed als militair verpleegkundige in Afghanistan. Thuis aan de koffietafel, bij een reusachtige wereldkaart, praat hij over hoe het „écht anders” moet in het contact tussen troepen en kinderen.

Taliban

Hij kwam zwakbegaafde kinderen tegen, die door de Taliban in een zelfmoordvest waren gehesen, twaalf, veertien jaar oud. Hij werd woest toen hij een bacha – een ’jongetje voor de nacht’ – kreeg aangeboden, en zijn tolk die eeuwenoude gewoonte „goddomme nog goedpraatte ook”. Als verpleegkundige zag hij de beschamende verwondingen van door Afghaanse politiemannen verkrachte jongens.

„Kinderlevens zijn er niets waard”, leerde Veldhuizen. „Een jochie verloor een stuk van zijn hand en schedeldak. Hij speelde met een niet-ontplofte 40 mm-granaat, afgeschoten bij een gevecht buiten het dorp. Toen de tolk schreeuwde dat hij het weg moest gooien, deed hij dat al te letterlijk, waardoor de granaat ontplofte. Dat jochie had dood moeten zijn. Maar met een helikopter brachten we hem naar Kandahar, waar de enige neurochirurg in Afghanistan hem oplapte. Op de intensive care kreeg hij alle denkbare zorg, waardoor hij uiteindelijk in een taxi naar huis werd gereden. Dagelijks zou hij zijn verband komen verschonen bij onze post, 700 meter van zijn dorp vandaan.”

De eerste dagen kwam hij de heuvel op, met een ezeltje, of anders met een stok en de hulp van een vriendje. „Maar op een dag kwam hij niet meer. Tijdens een patrouille gingen we langs zijn vader. Die zei dat de jongen ’hout was gaan zoeken in de bergen’. Maar het ezeltje stond op de binnenplaats. De tolk trok mij weg uit de deuropening. Op het kamp vertelde hij me dat ’hout halen’ betekent dat de familie hem voor dood heeft achtergelaten in de bergen.”

Er waren zoveel mogelijkheden om wél kinderen te redden, die niet werden benut. Veldhuizen toont een foto van een Afghaanse vader, die zijn zoontje op schoot heeft in het militaire voertuig, een Patria. „Dat was een jochie met brandwonden. Hij kreeg antibioticagel, dat in Europa al decennialang niet meer gebruikt mag worden. Bij ons gebruikten we het alleen op vee. Dat kind kreeg niet meer dan schoon verband, al had het recht op meer.”

Zulke beslissingen hebben levens gekost van kinderen, die eenvoudig gered hadden kunnen worden. „In een koude februarinacht op een hoogvlakte kwam een oude man op slippers door de sneeuw, met zijn kleinzoon in zijn armen. Hij zat onder de brandwonden, allemaal ontstoken, en gloeide van de koorts. Hij woog bijna niks, was verminderd bewust en ademde traag.” Veldhuizen gaf het kind zuurstof, zetpillen tegen de koorts en vocht via een infuus, niet alleen omdat hij was uitgedroogd, maar ook om met antibiotica te kunnen starten. „Een weekje antibiotica en hij had het overleefd.”

Patrouille

Maar weersomstandigheden en ’prioriteiten’ verhinderden dat er een helikopter kwam voor de jongen. De patrouille moest verder om een Taliban-target te zoeken. Veldhuizen moest het infuus en de zuurstof afkoppelen en het jochie teruggeven aan opa, die vol vragen keek naar het handjevol paracetamol en antibiotica die hij in zijn hand kreeg gedrukt. „Ik kon het hem ook niet uitleggen. Natuurlijk hebben we die Talibanstrijder nooit gevonden. Van binnen weet ik zeker dat we beter voor het kind hadden kunnen kiezen. Door onze handelwijze was er weer een stukje haatdragende voedingsbodem tegen het Westen gecreëerd. ’Winning the hearts and minds’ was die dag kennelijk van ondergeschikt belang.”

Veldhuizen: „Als wij dat koortsige mannetje op die hoogvlakte toen hadden gered, had hij zijn hele leven zich niet tegen ons gekeerd, noch zijn broertjes en zusjes. Maar hij is dood, terwijl een eenvoudig infuuszakje hem had gered.”

De voormalige verpleegkundige heeft spijt dat hij zijn boek schreef als tijdsdocument met zichzelf als leidraad. „Ik kreeg lovende recensies, te veel veren om in mijn kont te steken. Maar ik had de nadruk moeten leggen op de kinderen. Het kindermisbruik, de kinderruilhandel, het gebrek aan medische zorg, het is slechts een zijlijn in het verhaal, die niet in het oog springt.”

„We hebben als militairen gezwegen over kindermisbruik. We zagen het gebeuren. Zelfs de Nederlandse legerleiding en politici waren gewaarschuwd dat hooggeplaatste personen in Uruzgan kinderen misbruikten. Die structuren hebben we in stand gehouden door te zwijgen. Zolang je de jeugd geen veiligheid biedt, is er geen toekomst, verandert er niets.”