Nieuws/Binnenland

<h2>’Olympisch schaatsen een genot om naar te kijken en zeker ook nog spannend’</h2> 

Uitslag Stelling: Trots op Nederlanders

Belachelijk, vinden de deelnemers aan de Stelling van de Dag de kritiek op onze schaatsers in Sotsji. Sven Kramer, Ireen Wüst, de broertjes Mulder en anderen zouden ’te goed’ zijn, klaagden onder anderen oud-schaatskampioen Jochem Uytdehaage en schaatshistoricus Marnix Koolhaas. U bent het hartgrondig met hen oneens. „Typisch weer Nederland om zo te reageren.”

Tot vandaag haalden ’we’ vijf van de acht gouden schaatsmedailles, en zestien van de 24 plakken die er in totaal te verdienen waren. Waar meervoudig wereld- en Europees kampioen Uytdehaage dat te veel vindt, ziet u dat toch anders. Liefst 86 procent van de deelnemers weerspreekt dat Nederland ’te dominant’ zou zijn op deze Spelen.

Oost-Duitsland

„Winnen we vijf keer op rij het WK voetbal, dan zal niemand klagen dat Nederland een ’te dominant voetballand’ is”, trekt een deelnemer een vergelijking. Een parallel die nog vaker wordt getrokken is die met de Oost-Duitse dominantie in de jaren tachtig. Op het hoogtepunt van de DDR-hegemonie, in Calgary in 1988, sleepte de communistische staat dertien schaatsmedailles binnen – drie minder dan Nederland op twee derde van dit olympische toernooi al heeft.

Net als een ruime meerderheid het onzin vindt dat Oranje te veel medailles oogst, zijn er ook maar weinig respondenten te porren voor ’ontwikkelingshulp’ op schaatsgebied. „Het zou goed zijn als we onze schaatskennis kunnen ruilen met de bobslee-, rodel-, curling- en skikennis van andere landen”, schampert iemand. „Gelijk oversteken.”

Een ander stelt de zaken minder rooskleurig voor: „Onze medailles zouden meer waarde hebben als er meer concurrentie uit andere landen zou zijn. Maar buiten Nederland wordt er nauwelijks naar schaatsen gekeken. Daarom is het van belang om onze kennis over te brengen.”

Het is een lid van de kleine minderheid die vreest voor de schaatssport, en denkt dat die te lijden heeft onder de Oranjesuprematie. Slechts twee op de tien deelnemers denken dat andere landen zich minder om schaatsen gaan bekommeren omdat er geen eer meer aan te behalen valt. Een nog kleiner deel denkt dat het IOC het langebaanschaatsen van het olympische tableau schrapt als Nederland te goed blijft.

Marginaal

„De hele middag naar groeiend gras zitten kijken, vond ik interessanter”, deelt een respondent zijn zondagse besognes. En een ander: „Als Ajax ieder jaar kampioen wordt, is het voetbal ook niet meer leuk.” Een derde deelnemer ziet er helemaal geen brood meer in: „Schaatsen is een marginale sport geworden, de rest van de wereld gelooft het wel. Het lijkt wel een Nederlands kampioenschap.”

Een open Nederlands kampioenschap dan, want ’we’ winnen niet alles. De zuurste nederlaag was zaterdag voor Koen Verweij, die op drie duizendste van een seconde het goud op de 1500 meter miste. Zelfs zondag, toen hij zijn zilveren olympische plak kreeg omgehangen, keek de 23-jarige Alkmaarder als een oorwurm.

Onterecht, vinden zes op de tien deelnemers. Verweij had sportiever met zijn verlies moeten omgaan. „Niet zeuren maar voortaan harder schaatsen”, is de teneur van de meeste reacties. „Ik vind dat Koen Verweij best de pest in mag hebben dat hij tekortkwam. Maar zijn tegenstander is niet schuldig en hem feliciteren was wel het minste wat hij had kunnen doen”, laakt iemand de onsportiviteit van de zilverenmedaillewinnaar.

Toch zit u vooral te genieten van de Olympische Spelen. En van alle juichende reacties sprak deze nog het meest tot de verbeelding. „Ik vind het prachtig, fantastisch, meesterlijk… Noem het maar goddelijk! Heel meeslepend, ik ben een vrouw van 75 en zit te springen op mijn stoel!”