998894
Binnenland

Hoe Heineken Amsterdam tot bloei bracht

Ze prijkt al sinds 1875 op de bovenkant van een flesje Heineken: de gouden medaille die de bierbrouwer won op een wereldtentoonstelling in Parijs. In het Stadsarchief van Amsterdam is vanaf vrijdag het originele exemplaar te zien, nog altijd glanzend en keurig gelegen in het met blauw vilt beklede opbergdoosje.

Het is een onderdeel van de tentoonstelling Heineken's Amsterdam. Aan de hand van 150 foto's, tekeningen, documenten, affiches, stadsplattegronden en reclameobjecten vertelt het Stadsarchief het verhaal van Gerard Heineken (1841-1893), de man die vanuit de hoofdstad de grootste brouwerij van het land opbouwde. Maar ook de man die een van de drijvende krachten was achter de uitbreiding van Amsterdam eind 19e eeuw.

„Amsterdam stond stil in die tijd, maar Heineken had de energie en de dynamiek om de stad vooruit te helpen”, zegt conservator Erik Schmitz. „Hij keek daarbij naar het buitenland. Hij vond dat Amsterdam meer op Parijs moest lijken.”

Zo bouwde hij een nieuwe brouwerij aan de Stadhouderskade, toen de rand van de hoofdstad. Schmitz: „Daarmee dwong hij het stadsbestuur werk te maken van de aanleg van de nieuwe wijk daarachter, De Pijp.” Heineken was niet alleen bouwer en brouwer, maar ook betrokken bij de inwoners van Amsterdam. „Hij deelde in de winter gratis brood en koffie uit aan daklozen. Hij kwam niet uit de elite van de grachtengordel, dat maakte hem onbevangen.”

Het brouwen van bier stond op de eerste plaats, waarbij hij al vroeg zijn ondernemersgeest toonde. „Hij was goed in pr”, zegt Schmitz. „De opening van de nieuwe brouwerij wist hij feestelijk aan te kleden. Bij de brouwerij bouwde hij meteen een houten café. Wat hij brouwde, kon meteen genuttigd worden.”

Gerard Heineken had geen verstand van bierbrouwen, blijkt uit een brief die hij in 1863 aan zijn moeder schreef. Hij was er echter van overtuigd dat zijn bierbrouwerij een succes zou worden. De brief, op de expositie te zien, is de enige die bewaard is gebleven, net als slechts één foto. Schmitz: „We kennen vooral zijn daden.”