Nieuws/Vrij

SPIJT

’We lieten haar aan lot over’

Als middelbare scholier ging ik met mijn beste vriendin regelmatig een eind wandelen met een bewoonster van een verpleeghuis. Maar onze vriendschap verwaterde waarvan de oudere dame de dupe werd.

Zo’n veertig jaar geleden was ik een zestienjarige middelbare scholier. Het is zolang geleden dat ik niet meer precies weet hoe mijn beste vriendin Evelien en ik aan ons ’project’ begonnen. Op aangeven van een docent, dat weet ik zeker; misschien een mentor of iemand van maatschappijleer.

Hoe dan ook, op school werd gesuggereerd dat de leerlingen vrijwilligerswerk zouden moeten doen. Niet in het kader van een bepaalde les, maar gewoon omdat het een goed idee was. ’Ga eens naar een verpleeghuis om te vragen of daar iemand is die nooit bezoek krijgt’, werd er gezegd.

Eef en ik waren ernstig van plan om zo’n goede daad te verrichten. Omdat er in ons dorp geen bejaardentehuizen waren, fietsten we naar een nabijgelegen grote gemeente. Daar stapten we een verpleeghuis binnen met de vraag die ons was ingefluisterd: ’Kunnen we een blokje om met iemand die nooit bezoek krijgt?’

Misschien werd er nog nét naar onze namen gevraagd, misschien naar onze school, maar we kregen zomaar iemand toegewezen: mevrouw Meijer. Geen telefoontjes om onze achtergrond te checken, niets. We hadden er bij wijze van spreken met mevrouw Meijer vandoor kunnen gaan. Anno 2018 geloof je dat niet. Kan ook niet meer.

Ook mevrouw Meijer stelde geen vragen, ze vond het fijn dat we op bezoek kwamen. Ze dementeerde niet, zij zat ook niet op een gesloten afdeling. We troffen haar altijd aan tafel, aan de koffie met andere bewoners. Wel leefde ze in haar eigen wereld. Er kwam niet veel uit toen wij naar eventuele familie of andere zaken informeerden.

Elke twee weken gingen Eef en ik bij haar langs. Meestal gingen we een uurtje met haar wandelen. Mevrouw Meijer zat in een rolstoel, dus wij duwden haar voort door een parkje en een slaperige woonwijk vlak bij het bejaardenhuis. Mevrouw Meijer gaf geen voorkeur aan – ze vond alles best, maar we vroegen er ook niet naar – dus de ene keer gingen we links en de andere keer rechts.

We waren niet gewend om met een rolstoel om te gaan. In het begin gaf dat behoorlijke problemen, zeker bij stoepen, maar we werden er behendig in.

Mevrouw Meijer genoot van die uitstapjes. Onderweg zat zij regelmatig in haar rolstoel te neuriën. Echte gesprekken voerden we niet.

Soms was het uiteraard geen weer om naar buiten te gaan. Dan ging Eef aan de piano in de grote zaal zitten en zong mevrouw Meijer een beetje mee met oude liedjes.

Met het openbaar vervoer was de instelling slecht bereikbaar, dus we fietsten er altijd naartoe. Eindeloze tochten, zo’n tien kilometer heen en weer tien kilometer terug, die me vreselijk gingen tegenstaan. Maar we sloegen zelden over.

Na de middelbare school ging Evelien studeren. Zij ging helemaal in het corpsleven op en vertelde verhalen over de ontgroening waarvan ik gruwde. Onze vriendschap verwaterde in rap tempo.

Eef liet het steeds vaker afweten als het op mevrouw Meijer aankwam. Een paar keer ben ik nog in m’n eentje bij haar langs geweest. Tot mijn schaamte en spijt lukte het me niet om dat vol te houden. Daar voelde ik me schuldig over, maar dat drukte ik weg. Ik had het druk met mijn eigen leven; ik was aan een opleiding begonnen.

Was ik harteloos of onnozel? In ieder geval heb ik nooit beseft welke taak ik op me had genomen.

In deze rubriek vertellen lezers waarvan ze spijt hebben. Wilt u ook (anoniem) kwijt wat u anders zou hebben gedaan? Mail uw verhaal, 575 woorden, naar vrij@telegraaf.nl.

Bekijk meer van