2843143
Vrij

Spijt

’Verdreven door rolkoffers’

In onze rubriek SPIJT vertellen lezers over hun ervaringen. Deze week: “Mijn vrouw en ik waren altijd enthousiaste stadsmensen. Noodgedwongen zitten we nu in de polder, verdreven door de overlast van al die toeristen met rolkoffers.

Mijn vrouw en ik zijn echte Amsterdammers. Wij houden van leven, van parken vol mensen, van buurtsupermarkten met voedsel uit alle windstreken, van het geknars van trams, van het Concertgebouw.

Zo’n tien jaar geleden kregen we nieuwe buren op de derde verdieping die druk gingen verbouwen. Ze kwamen bij ons langs voor een kopje koffie. De bovenbuurvrouw, Julia, nam ons appartement misprijzend in zich op. „Moeten jullie ook niet eens renoveren?” vroeg ze. Dat hadden we net gedaan en het zag er piekfijn uit. Nee, met deze snobs zouden wij niet bevriend raken.

Onze bovenburen – begin dertig, geen kinderen – zagen wel wat in verhuur via Airbnb dat net in zwang raakte. „Makkelijk verdiend”, zei Julia. Waar ze zelf verbleven terwijl ze hun huis verhuurden: geen idee.

Al snel was het een komen en gaan van met name jongelui. Onze favorieten waren Aziaten. Beleefd en muisstil. Duitse jongeren konden we ook goed hebben; meestal te stoned om overlast te bezorgen.

Bij Britten sloeg de schrik ons werkelijk om het hart. Dan wisten we dat ze midden in de nacht stomdronken op de trap zouden stommelen. Hoop lawaai, vaak overgeven, soms bij ons voor de deur... Dat was iets te rumoerig.

Onze bovenburen waren steeds vaker weg. Wij troffen hun sleutels in onze brievenbus aan, met een briefje erbij of we die maar even aan een Kroatisch stel wilden geven. We wilden mensen die zich op Amsterdam hadden verheugd, niet voor een dichte deur laten staan. Maar we maakten Julia duidelijk dat dat de eerste en laatste keer was geweest.

„Ik krijg een rolberoerte van al die rolkoffers.”

Natuurlijk gebeurde het nog een keer. En nog eens. Misschien dachten ze: een gepensioneerd stel, toch niks te doen. We gooiden de sleutels gewoon terug in hun brievenbus. Julia stelde voor om ons voor de sleuteloverdrachten te betalen. Ik heb haar uitgelachen. Dat loste ze zelf maar op. De betrekkingen werden er niet hartelijker op.

Op een gegeven moment verzuchtte mijn vrouw: „Ik krijg een rolberoerte van al die rolkoffers.” Ik moest lachen om die woordspeling, maar het was geen grap. Zij was het spuugzat en we zetten onze etage te koop.

We stonden op punt van verhuizing toen er ’s avonds laat op onze deur werd gebonsd. Twee Japanse meisjes die drie woorden Engels spraken, probeerden met handen en voeten iets duidelijk te maken. God mag weten wat. Ik was er er klaar mee. Ik weet niet of ze het telefoonnummer van onze bovenburen hadden – ik in ieder geval niet – maar ze konden zich toch niet verstaanbaar maken.

In de dagen daarna bleek dat er een lekkage was geweest. De bovenburen wilden een deel van de forse schade op ons verhalen. Er kwam een brief op poten met dure woorden over nalatigheid. Onze advocaat maakte er korte metten mee. Nooit meer wat gehoord.

Inmiddels wonen we in de polder. Lekker rustig. Te rustig. Ik heb er spijt van dat we ons hebben laten verdrijven. Vooral nu de gemeente Amsterdam een maximum van dertig dagen verhuur per jaar heeft ingesteld. Maar ja, wie controleert dat?

Laatst zaten we ’s avonds op de bank toen we een overbekend geluid hoorden. Versteend keken we elkaar aan: een rolkoffer?! Was het de dochter van de buren; zij is stewardess.’’

In deze rubriek vertellen lezers waarvan ze spijt hebben. Wilt u ook (anoniem) kwijt wat u anders zou hebben gedaan? Mail uw verhaal, 575 woorden, naar vrij@telegraaf.nl.