Nieuws/Vrouw
1366482411
Vrouw

'Ik ben een ontaarde dochter'

Eerlijk is eerlijk, we lopen er allemaal weleens tegenaan: we houden van onze vader en moeder, maar soms vragen ze wel heel veel aandacht... Journaliste Antoinette Beekmans* herkent zich daar maar wat goed in en voelt zich bij tijd en wijlen flink schuldig. Vandaag biecht ze op: 'Ja, ik ben een ontaarde dochter'.

“Ik dacht dat je dood was”, zegt ze. De toon is meteen gezet. Ik voel de irritatie omhoog kriebelen. “Dan had Peter je echt wel gebeld”, zeg ik. Ik hoor de ondertoon in mijn stem: kattig, lichtelijk opgefokt. Ik heb mijn moeder 5 seconden aan de telefoon en ik zit nou al op de kast.

“Nou ja”, zegt ze verongelijkt, “je kunt toch ook wel vaker bellen. Dat ik je nooit zie, daar heb ik me al bij neergelegd. Ik zeg tegenwoordig tegen iedereen: ‘nee, ik heb geen kinderen.’ Anders vinden ze het maar rot voor me hè, dat ik wel een dochter heb maar dat die nooit tijd voor me heeft.”

God, wat voel ik me slecht.

Langskomen

“Ik heb nou eenmaal een baan mama”, sputter ik tegen. “En een gezin.” Om me heen is het een grote puinhoop. Er moet dringend gestofzuigd worden, in een hoek ligt de gymtas van mijn jongste zoon en onwelriekende sportkleren moeten dringend in de wasmachine.

“Andere dochters hebben ook best werk”, zegt mijn moeder, “maar jij werkt meteen weer zoveel. En je woont zo ver weg. Als je nou dichter in de buurt woonde, dan kon ik af en toe langskomen.”

Ontwrichten

Ik moet er niet aan denken. Als iemand in staat is mijn gezin binnen een half uur nog iets verder te ontwrichten, is het mijn moeder wel met haar laatdunkende opmerkingen over het VMBO waar mijn middelste zoon op zit en haar gekat op mijn dochter: "volgens mij ben je aangekomen?"

Ik voel mezelf meteen schuldig om die gedachte. “Over een jaar ben ik er misschien niet meer”, zegt ze ten overvloede. Schuldgevoel en irritatie vechten om de overhand. “Ik was al bijna dood”, zegt ze. “Die hartaanval toen. Niemand dacht dat ik die zou overleven.”

Drie weken

Ik weet niet of ik er meer spijt van heb dat ik vandaag heb gebeld of dat ik me vooral schuldig voel omdat ik niet eerder de telefoon heb gepakt. Waarom zitten er nou alweer drie weken tussen ons laatste gesprek? Misschien zou het heel anders gaan als ik vaker de moed zou verzamelen. Mijn beste vriendin zei het onlangs nog: “joh, pak die telefoon. Ik bel mijn moeder iedere dag.”

Het voelde als een extra beschuldiging van iemand van wie ik het niet had verwacht. Ik had bijna de vriendschap failliet verklaard: ook gij Brutus? Zich van geen kwaad bewust ging ze verder: “ik heb er speciaal een handsfree ding voor gekocht. Zo gauw ik ga koken, bel ik en vraag ik wat zij die avond eet. Kan ze lekker los over de prijs van de spruitjes en ik hoef alleen maar af en toe ‘huhu’ en ‘nee toch’ te zeggen.”

Die bellen ook nooit

Ik denk niet dat mijn moeder daar intrapt. De labrador jankt zachtjes bij de deur. Die moet uitgelaten worden. Geen kind te bekennen natuurlijk. “Mam, ik moet ophangen”, zeg ik. “Bink moet uit. Wat doen we met moederdag? Zullen we ergens naar toe gaan?” “Ik ga niet meer met de trein”, zegt ze. “Ik vind dat overstappen zo’n gedoe.”

“Dan kom ik je wel halen”, zeg ik met de moed in mijn schoenen. Van Amsterdam naar Enschede en weer terug, dat is geen kattenpis. “Nou vooruit dan”, zegt ze. “En doe de kinderen de groeten. Die bellen ook nooit trouwens.”

Alzheimer

Omdat ik nou toch bezig ben, bel ik ook meteen mijn vader maar. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 12 was. Inmiddels zijn ze beiden eind 70. Waar mijn moeder vooral kleine kwaaltjes heeft, heeft mijn vader die ene grote: hij dementeert.

Nog niet heel erg, maar voldoende om niet meer helemaal zelfstandig te kunnen functioneren. Hij staat soms wel 23 x per dag op mijn voicemail. Niet dat hij dan iets inspreekt. Ik hoor alleen maar wat gemurmel op de achtergrond.

Kaapstad

Zijn vriendin heeft het er zwaar mee. Of ik af en toe niet wat van haar kan overnemen, vroeg ze onlangs. Dan heeft zij ook een keer de handen vrij. Op mijn broer hoeft ze geen beroep te doen; die woont met zijn vrouw in Kaapstad.

Hij valt meteen met de deur in huis: “wanneer kan ik komen?”, zegt hij. Ik blader door mijn agenda, paniekerig. “Volgend weekend?”, vraagt hij. Inwendig gil ik nee. Ik heb drie zaterdagen gewerkt. Volgend weekend is het eerste weekend waarin ik vrij ben. Maar ik heb het hart niet om te weigeren.

Golfen

Dat wordt weer een fijn gesprek met manlief vanavond: ‘dus met moederdag moeten we je moeder halen in Enschede en komend weekend zitten we met je vader opgescheept, je zoekt het maar lekker uit. Ik ga golfen.’

En de kinderen worden er ook niet heel blij van. Opa is geen vrolijke dementeerder. Hij snauwt en vindt alles te druk. Dat wordt twee dagen op eieren lopen, pappen en nathouden.

Gezegend?

Ik ben halverwege de 40. Mijn beide ouders leven nog. “Wat ben jij gezegend”, zeggen vrienden wiens vader en moeder al veel eerder zijn weggevallen. En dat is misschien ook zo. Maar het voelt niet altijd zo. Als zij zich hun ouders herinneren, denken ze aan al die mooie dingen samen, aan hun vader en moeder in de bloei van hun leven.

En wat herinner ik me straks? Een vader met nachtelijke paniekaanvallen en een moeder die zich verwaarloosd voelde door haar enige in Nederland wonende kind? Ik neem me hard voor zo’n handsfree dingetje te kopen.

Maar ik weet dat ik het toch niet doe, dat de dagen verstrijken zonder dat ik er erg in heb, dat mijn moeder weer teleurgesteld in me zal worden, mijn vader straks geestelijk nog iets verder heen.

En ik voel me de slechtste dochter van de wereld. Een ontaarde dochter.

*Dit artikel is geschreven onder pseudoniem. Echte naam is bekend bij de redactie.

Maak jij iets bijzonders mee en wil je dat met ons delen?

Stuur dan een berichtje.