Vrouw/Lezerscolumn
91335249
Lezerscolumn

Lezerscolumn

’Ik schaam me diep dat ik in de zorg werk, schandalig hoe we met ouderen omgaan’

„Ik loop niet weg, ik heb het mooiste beroep dat er is als ik weer eens een kleffe zoen krijg.”

„Ik loop niet weg, ik heb het mooiste beroep dat er is als ik weer eens een kleffe zoen krijg.”

Te weinig zorgpersoneel, veel ziekteverzuim, de vakantieperiode die er nog eens een schepje boven op doet... Het is niet best gesteld met de bezetting in de zorg. Tekorten aan arbeidskrachten en ziekte versterken elkaar en daar komt ook nog eens een vakantieperiode overheen. De bezetting wordt er niet beter op en dat merkt Joyce Tholel aan alles bij haar werkzaamheden in de zorg.

„Ik loop niet weg, ik heb het mooiste beroep dat er is als ik weer eens een kleffe zoen krijg.”

„Ik loop niet weg, ik heb het mooiste beroep dat er is als ik weer eens een kleffe zoen krijg.”

Het is kwart voor zeven ’s ochtends als ik op mijn werk aankom. De bezetting is vandaag krap, dus begin ik maar gelijk als ik een bewoner in de gang aantref. Snel sla ik mijn laptop open en lees in een mail van het bestuur dat we alleen nog basiszorg mogen uitvoeren, omdat er door de vakantie personeelskrapte is. Basiszorg, daar zijn we al weken mee bezig. De ene na de andere collega valt uit of stopt ermee. Er staan vacatures open maar niemand reageert. We staan vandaag dus met één medewerker op acht bewoners en er is geen gastvrouw aanwezig voor de koffie en boterhammen.

Chaos

De heer G. loopt op de gang. Ik zie dat hij nat is en had hem graag meteen onder de douche gezet en lekker afgesopt. Maar daar heb ik nu geen tijd voor. Snel loop ik naar de magnetron en warm mijn wash and gloves op. Dat zijn washandjes met crème erin en een wasschema waarin staat hoe je moet wassen. Ik vind het tien keer niets maar sneller is het wel.

Ze zeggen dat het beter voor de huid is, maar fris ruikt het niet en zeker niet bij mensen die incontinent zijn. Maar goed, ik moet want de volgende bel gaat al. Shit, iemand is uit bed gekomen die valgevaarlijk is en eigenlijk moet ik er meteen naar toe, maar als ik nu wegloop bij de heer G. dan loopt hij straks in zijn geboortepak op de gang en dat wil ik ook niet.

Normaal zou er nog een collega of de gastvrouw zijn om dit te ondervangen. Snel doe ik de heer G. een broek aan en loop naar mevrouw K. Ze ligt op de grond naast haar bed. Gelukkig heeft mevrouw geen pijn. Ik maak zowat een sprongetje dat er niets gebeurd is, maar ook voor mezelf. Ik moet nog beginnen en had dan een uur aan de telefoon gehangen om de arts en familie te bellen.

Nu kan de familie even wachten. Ik breng ze straks wel op de hoogte. Het is ook pas kwart over zeven. Ik leg mevrouw terug in bed en zeg haar dat ik zo terugkom. Snel loop ik naar meneer G. terug. Hij heeft zich intussen weer uitgekleed en is in bed gaan liggen. Ik probeer hem er weer uit te krijgen, maak een grapje en bied hem koffie aan, maar hij is geïrriteerd en blijft liggen. Hij wacht op zijn vrouw die zo komt. In werkelijkheid is ze al drie jaar geleden overleden. Ik laat hem nog maar even liggen.

Ik loop naar de huiskamer. Snel dek ik de tafel, of nou ja, ik zet de borden op tafel. De rest gaat niet, dan wordt het een knoeiboel zonder toezicht. Ik zet de koffie aan, pak de medicijnen van mevrouw T. en loop naar haar kamer. Mevrouw ligt op bed en werkt slecht mee. Ik ben hier zeker een half uur tot drie kwartier bezig. Ik hoop maar dat de rest blijft liggen.

Geen benul van tijd

De ochtenddienst verloopt verder redelijk. Rond half twaalf heb ik iedereen uit bed, hebben ze de medicijnen gehad, hun boterhammetjes en kopje koffie op. Gelukkig hebben ze geen benul van tijd en zitten drie bewoners alweer te slapen in hun stoel. Het is bijna tijd voor de middagmaaltijd. Ik kan eigenlijk niet van de afdeling af, toch schenk ik voor mezelf snel een kop koffie in en ga ik even vijf minuten naar het balkon.

Vanaf het balkon kan ik de huiskamer in de gaten houden. Ik zit net en hoor op de gang een hoop gegil. In de huiskamer naast mij hebben twee bewoners een aanvaring. Ik ren er naartoe, mijn collega is nog bezig in de zorg. Ze brengt net iemand naar het toilet. Ja, voor het eten doen we nog een toiletronde voor degenen die het nog kunnen.

Geslagen en gekrabd

Ik handel het af, maar het kwaad is al geschied. Ze hebben elkaar geslagen en gekrabd; de huid ligt eraf. Met zorg maak ik het schoon, leg de huid zo goed als terug en verbind het. Inmiddels komt het eten boven ik heb nog geen tijd gehad om te rapporteren. Ik dek de tafel opnieuw en schep op. Eerst de mensen die nog zelf kunnen eten, daar hoef ik niet op te letten, dan de mensen die niet meer weten hoe ze moeten eten. Het zijn er drie en ik heb maar één paar handen. Ik ga er tussen zitten en help er drie met eten, het is niet anders. Ook in de keuken is er een tekort. Het eten is zo zo.

Dan gaat er een beker om aan de andere kant van de tafel. Eigenlijk kan ik het niet opruimen, snel schuif ik drie borden naar het midden van de tafel en ruim het water op. De broek van mevrouw L. is nat. „Het is maar water”, zeg ik, „dat droogt wel op”. Mevrouw L. wil een schone broek aan, ’NU’, bijt ze me toe. Ik negeer het. Tranen staan in mijn ogen, help… Ze blijft gillen dat ze een schone broek aan moet. Bewoners worden er onrustig van. Ik haal een schone broek. Tijd om die op haar kamer aan te trekken is er niet, want ik kan nu niet weg uit de huiskamer. Tegen mijn gevoel in trek ik haar in de huiskamer een schone broek aan om de rest in de gaten te houden. Het is niet netjes, maar goed.

Welkome hulp

We zijn klaar met eten en ik begin op te ruimen. De dochter van meneer G. komt. Ze ziet dat ik alleen sta en vraagt of ze me kan helpen. Dan drinkt ze met pa wel boven een kopje koffie. Ik ben blij met haar hulp, ze komt om de dag en kent de bewoners. Ondertussen kan ik een paar mensen naar bed brengen om een uurtje te rusten. Er is iemand die de huiskamer in de gaten kan houden en een kopje koffie in kan schenken.

Om twee uur kan ik snel zelf even een boterham eten. Daarna maak ik snel een schaaltje fruit voor de bewoners. Ik ga nog snel een paar bedden opmaken die verschoond moesten worden. Dan haal ik nog een bewoner uit bed. Ik ben nog bezig als de avonddienst mij komt aflossen. Ik heb nog niets gerapporteerd, daar had ik geen tijd meer voor. Ik draag over aan mijn collega en ga op het kantoor nog even rapporteren. Een uur later ga ik naar huis, weer een uur over kunnen werken. Gelukkig heb ik geen kinderen die ik uit school moet halen. Ik wens mijn collega succes. Bedank de dochter van meneer G voor haar hulp. Ik ben haar zo dankbaar.

Thuis plof ik op de bank; zin om te koken heb ik vanavond niet, ik schuif wel een pizza in de oven.

Minimaal budget

Ik schaam me. Ik schaam me ervoor dat ik in de zorg werk, dat ik de mensen niet kan geven wat ze nodig hebben. Het praatje, de arm om ze heen, een spelletje, de nagels lakken, een boekje voorlezen, een filmpje kijken (van die gekke home video’s), dansen op muziek, leven in de brouwerij, kortom: gezelligheid.

Een bitterballetje op tafel zetten en gewoon een gezellige avond. Maar zelfs dat bitterballetje kan financieel niet eens, het budget is vijf euro per bewoner per dag. Daar moeten ze alles van krijgen: hun drie maaltijden, melk, koffie, een stukje fruit, limonade. Een extraatje zoals een bitterbal of een advocaatje is zeldzaam, terwijl ik ze dat graag vaker wil geven.

Vaak neemt familie iets mee voor in de huiskamer. Laatst kregen we een grote mand met zomerfruit: aardbeien, meloen en kersen. Dan denk ik aan de eerste coronagolf. Een periode waarin onze bewoners verwend werden met van alles. Maar helaas zijn ze alweer vergeten. Ook ik neem regelmatig wat mee voor de avonddienst. Drie tapasschaaltjes of een doos hapjes of gewoon een zak met zakjes chips. Dat betaal ik uit eigen zak.

Betalen voor zorg moeten de ouderen zelf, het hangt af van het inkomen. Daarnaast moeten ze voor extraatjes zoals de bingo, bloemschikken, schilderen en biljarten ook nog betalen Schandaliger is nog het kopje koffie dat ze dan beneden drinken.

Ja, ik schaam me diep voor hoe wij met deze mensen onze ouderen omgaan. Dan bedoel ik niet wij als medewerkers of familie, maar het kabinet. We kleden deze mensen helemaal uit en de zorg moet minder, weer een bezuiniging.

Niet uit bed

Lieve meneer Rutte, ik nodig u uit om een maand lang - ja een maand, want anders komt het niet over - bij ons door te brengen in een klein kamertje, met een bed, stoel en gedeelde douche. U kunt niets meer en bent afhankelijk van de zorg. U kunt niet douchen, maar ik was u met de wegwerpwashandjes. U mag niet uit bed wanneer u wilt, maar alleen wanneer ik tijd heb, omdat ik alleen sta en eerst de mensen moet helpen die op tijd moeten eten in verband met het toedienen insuline, of omdat ze onder de ontlasting zitten of valgevaarlijk zijn.

U krijgt hetzelfde eten als onze bewoners, ik tape uw mond dicht zodat u niets meer kunt vragen of vertellen en de boel zeker niet weg kunt lachen. Dat kunnen onze bewoners ook niet. Ik zet u in een rolstoel met een flex aan. Zelf naar de wc gaan zit er niet in, dit gaat op tijden dat ik er tijd voor heb.

En u gaat naar bed wanneer ik daar tijd voor heb. Maar graag voor elf uur ’s avonds, want dan komt de nachtdienst die in haar eentje vijftig bewoners moet monitoren. Van wc-bellen tot mensen die niet kunnen slapen. Fijn is het dan als iedereen in bed ligt.

Ondertussen levert u uw salaris in en krijgt u vijftig euro zakgeld om een kopje koffie te drinken tijdens het biljarten. Het salaris dat u die maand zou krijgen geeft u ondertussen aan de afdeling zodat we daar van iets leuks kunnen gaan doen met onze bewoners.

Schandalig

Ik vraag u één maand, één maand te leven zoals onze ouderen leven. Te ervaren wat zij ervaren en gelijk constateren wat voor werk wij leveren. In wat voor omstandigheden wij moeten werken en de keuzes die wij moeten maken. Met bezuinigingen, nog minder personeel en familie die moet bijspringen (terwijl ze zelf vaak ook een huishouden hebben). Daarbij betalen de bewoners veel om in zo’n piepklein kamertje te wonen.

Mensen die hun hele leven gewerkt hebben, die Nederland groot hebben gemaakt, hebben opgebouwd na de oorlog, jarenlang belasting hebben betaald. Daar moet je respect voor hebben en je moet ze een goede oude dag geven. Het is schandalig dat we zo met deze mensen om gaan.

Ik loop niet weg, ik heb het mooiste beroep dat er is als ik weer eens een kleffe zoen krijg. Als ik een glimlach krijg en hoor dat ik een lieve zuster ben. Ik werk graag dat uur over, al weet ik dat ik mijn overuren niet kan compenseren. Een huis kopen zit er met mijn salaris niet in.

Het is negen uur ’s avonds, ik ga naar bed. Morgen moet ik weer een ochtenddienst werken. Weer alleen en ik ben moe, doodmoe. Ik tel de dagen af tot mijn vakantie. Ik heb hoop dat het na mijn vakantie in september weer beter zal zijn, maar met een niet-complete formatie ben ik bang dat het ijdele hoop is.

Aan meneer Rutte, die dit bericht waarschijnlijk niet leest of niet wil lezen, of het zich niet meer kan herinneren net zoals mijn lieve bewoners: zoals het nu gaat, kan het niet langer. We hebben het mooiste beroep van de wereld en ik ben trots op ons. Maar we hebben meer hulp nodig, meer handen aan het bed, en wie weet misschien wat meer salaris. Er moet wat gebeuren!

Wil je niets van VROUW missen? Speciaal voor de trouwste lezeressen versturen we elke dag een mail met al onze dagelijkse hoogtepunten. Abonneer je hier.

Maak jij iets bijzonders mee en wil je dat met ons delen?

Stuur dan een berichtje.