Wat U Zegt/Columns
41315
Columns

Minachting en rancune regeren

Een bescheiden wens: ik wil dat politieke leiders waar ik afhankelijk van ben, niet op mij lijken. Liefst heb ik een premier die slimmer, efficiënter en een beter mens is dan ik. Daar waar ik de neiging heb impulsief te reageren, wil ik zijn of haar beheersing zien en als ik een grote waffel heb, wil ik dat de premier voor het praten nadenkt. Toon ik lange tenen, dan wil ik een premier die het beneden zijn of haar waardigheid vindt om gekwetstheid publiekelijk te ventileren. Datzelfde geldt voor roddelen, jaloezie, sneren: de man of vrouw aan het roer moet die neigingen onderdrukken. Het ambt mag niet samenvallen met een onbehouwen ego.

De leider die ik vertrouw, blijft niet steken in persoonlijke akkefietjes en het diskwalificeren van tegenstanders. Daarbij doet het er niet toe of het een chique meneer of mevrouw is die de allure van een staatsman ambieert, een zakelijke regelaar of een volks type dat zich goed staande houdt in de kroeg. De afstand tot de luimen van de menselijke natuur is een voorwaarde in die functie. Het gaat er niet om dat zulke premiers zich beter voordoen dan ze zijn, maar dat ze de beschavingslat hoger leggen en ernaar handelen. Dat zal ze geenszins verhinderen om naar de ’gewone man’ te luisteren, de boosheid van de ’vergeten kiezer’ te vertegenwoordigen of een pittig parlementair debat te voeren. Het is mogelijk: scherp, uitdagend, bijtend ironisch en waardig van je tegenstander gehakt te maken. Door beheersing en beschaving word je beslist geen arrogante regent die neerkijkt op het plebs. Juist dan eer je de verkregen macht. Door controle te hebben en te houden.

Wellicht zijn dit nogal ouderwetse gedachten. Mogelijk romantiseer ik dat hoge ambt. Hoewel ik mezelf niet betrap op dialogen met de geesten van Colijn, Drees en Den Uyl of op nostalgische verlangens naar Lubbers, Kok of Balkenende, zou het kunnen dat ik stiekem vind dat (sommige) politici vroeger beter waren. Daarover las ik in het jongste nummer van de Duitse weekkrant Die Zeit een boeiend artikel met de volgende vraagstelling: waren politici vroeger zoveel beter of konden we ze beter waarderen? Conclusie: ze waren zeker niet beter dan de besten vandaag. Ze hadden vast niet tegen de huidige eisen gekund om een duizendpoot te zijn: voortdurend in de weer in het eigen parlement, in Brussel, in internationale ministerraden, in militaire coalities, in de media, op de sociale media, in lange campagnes, in onzekere tijden van crises. Vroeger, stelde de Duitse journalist, was het politieke landschap overzichtelijker. Toen kwamen premiers nog wel eens tegen etenstijd thuis en hadden sommigen zelfs tijd voor een hobby. Vroeger was autoriteit bovendien nog vanzelfsprekend. Ook teerden politieke partijen op stabiele reputaties en zetten ze ideologische lijnen voor decennia vast. Heel anders dan het huidige paniekvoetbal en beleid dat alle kanten uit zwabbert. Dus nee, veel beter waren de leiders van vroeger niet, wel hadden ze meer rust en kregen ze meer waardering voor hun werk doordat ze autoriteit genoten. Men luisterde naar ze. Kom daar in de huidige vertrouwenscrisis nog maar eens om.

Moeten de eisen aan huidige politici worden bijgesteld? Dacht het niet. Temeer omdat we nu een dijk van een voorbeeld hebben hoe je je niet als (wereld)leider moet manifesteren: Donald Trump. Psychologische profielen die de gekozen Amerikaanse president als gedragsgestoorde narcist neerzetten, zijn al tijdens zijn campagne verschenen. Ze voorspelden dat zijn asociale uitbarstingen zijn succes zouden nekken. Mis. De rauwe, schaamteloos botte Trump won de verkiezingen omdat zijn onbeheerste, impulsieve natuur de meeste kiezers aansprak. Waarom dat een pluspunt bleek, blijft problematisch. Veel was begrijpelijk rond zijn zege: hij sprak kiezers in een apolitieke taal aan, vertolkte hun grieven en boosheid en gaf ze het gevoel mee te tellen, aandacht en welvaart te verdienen en dat klonk radicaal anders dan de kille zelfgenoegzaamheid van het Democraten-establishment. Het kookpunt in de samenleving was bereikt: dat de gedroomde leider grievend was en geen enkele poging deed zijn kleingeestigheid te beheersen, deed er niet meer toe.

Terwijl dat geen futiele zaken zijn. Dat men in een leider lef, vechtlust, felheid en non-conformisme zoekt, is begrijpelijk. Maar dat velen de meest ongunstige, mensonterende vertolking ervan waarderen, blijft zorgelijk. Zo krijgt narigheid die we allemaal (hopelijk) proberen te onderdrukken, een politiek mandaat: de neiging om met plezier te beledigen, te kleineren, te minachten, om rancune te koesteren, om gedreven te zijn door wraakzucht en treiterdrift. Donald Trump ten voeten uit. Op zijn Twitteraccount loopt hij leeg als de eerste de beste trol, grossierend in denigrerende opmerkingen. Een voorspelbaar kort lontje dat publiekelijk om zich heen slaat, daar waar verstandige mensen hun schouders ophalen. Die kunst beheerst hij niet. Niks blijft onopgemerkt, elke criticaster krijgt een hatelijke pets. In persconferenties komt weer die persoonlijke rancune naar boven: daar sneert en oreert een man die zijn narcisme boven het ambt stelt.

Ik waag te betwijfelen of deze tirannieke trekjes zijn publiek kunnen blijven bekoren. Je land geleid willen zien door de slechtst mogelijke versie van jezelf, grenst aan masochisme. Daar krijg je Amerika niet weer groot mee.